Om mijn blik op de wereld te verruimen probeer ik de laatste tijd wel eens een ander biertje uit. Dan haal ik een six-pack bij de supermarkt, vaak Belgische. Laatst had ik een paar keer De Koninck een lekker bovengistend biertje met een Bourgondisch aroma. Prijs en kwaliteit zijn bovendien goed in verhouding.
Zaterdag had ik een pak Bellevue Kriek meegenomen. Op de flesjes zaten rode etiketten met een plaatje van een trosje kersen, maar die had ik in de winkel niet eens gezien.
Maandag legde ik ze in de koelkast, en later op de avond trok ik er één te voorschijn. Ik maakte hem open, gooide de bierdop zoals bij ons gebruikelijk met een brede armzwaai in de schemerlamp, nam een flinke slok en verslikte me gruwelijk, terwijl het bier schuimend uit het flesje spoot.
G*tverd*mme. Dit smaakte niet naar bier, dit was slootwater met een wee-zoetig bijsmaakje. Suikerfabriek met vruchten. Nog smeriger dan die yoghurt met appeltaartsmaak en zelfs echte stukjes appel-kruimel van één of andere toetjesfabrikant. Creatief bedoeld ongetwijfeld, laten we eens gek doen. Bier geschikt gemaakt voor watjes die geen echt bier kunnen verdragen. Niets is meer echt. Alles wordt tegenwoordig maar aangelengd om er de scherpe kantjes vanaf te halen, om de waarheid te verhullen onder een zachte wollen deken van illusies. Iedereen moet aan het bier want dan hoor je er bij, maar dan wel een bier met de smaak en een gevoel van een fruitig en zoetig welbehagen.
‘Vind jij dit lekker?’, vroeg ik aan Dolf. Die kende het niet. Ik zei dat hij ze op mocht drinken als hij ze lekker vond, anders moet ik de komende tijd mensen uitnodigen om mijn biervoorraad op te maken. Hij keek me wat meewarig aan.
‘Dat had je toch wel kunnen zien,’ zei hij, ‘er staan kersen op het etiket.’
Ik vroeg hem wat er dan op zijn flesje stond.
(Had ik al gezien).
‘Hertog Jan’, zei hij.
‘Nou dan’, zei ik, ‘er zit toch ook geen hertog in jouw bier?’
(Had ik al voor de vorige vraag bedacht).
Op dat punt moest hij zich gewonnen geven.
(Was ingecalculeerd).
Ik heb mijn flesje braaf leeg gemaakt. Wij gooien geen bier weg, zelfs niet als het smaakt naar met chemisch afval verontreinigd slootwater en ruikt naar een lijk dat lang in de zon gelegen heeft.
Nu heb ik nog vijf Krieks in de koelkast. De eerste lezers die het wel wat lijkt en die mijn wanhopig zoeken naar zuiverheid niet delen zijn van harte uitgenodigd voor een biertje.
maandag 13 augustus 2007
dinsdag 31 juli 2007
Voor het overige....
Zie voor verhalen, columns, gedichten en ander ongerief www.jwtamminga.blogspot.com en volg van daar de borden
dinsdag 17 juli 2007
Broodje pindakaas
We zijn de Alpen door. Niet allemaal even ongeschonden, sommigen helemaal niet, maar de meesten hebben het overleefd. Ik ook.
Het was een zware koers. Zaterdag was de eerste serieuze bergrit van de Tour de France 2007, de eerste rit waarin de favorieten moesten laten zien wat ze waard zijn. Het had de dag des oordeels moeten worden, maar uiteindelijk viel het mee. Voor de meeste favorieten lijkt niet verliezen belangrijker dan winnen. Alleen Christophe Moreau en Iban Mayo vielen in positieve zin op. Moreau , 36 jaar oud inmiddels, wordt per jaar sterker terwijl Mayo uit de doden is opgestaan. Ooit was hij de gedoodverfde opvolger van Lance Armstrong, maar zodra hij werd genoemd als toekomstige Tourwinnaar leek hij niet meer te kunnen fietsen en werd hij ziek zodra hij bergop moest.
Talo was gekomen om de etappe te kijken, en samen beleefden we een mooie middag.
Zondag keek ik in Ten Post, waar we de verjaardag van Jesse vierden. Het was de dag van Michael Rasmussen, onze nationale knuffeldeen van de Rabobank. Rasmussen kondigt elk jaar aan dat hij op die en die dag, om zus en zo laat hard gaat fietsen om de etappe en de bergtrui te winnen. Daar traint hij een heel jaar voor en op de aangekondigde dag is er niemand die hem bij kan houden. Hij reed soeverein naar de etappeoverwinning en de gele trui. Ik vroeg mij af of hij, gewichtsmaniak als hij is, die trui ook aan zou trekken als hij wist dat de kleur geel zwaarder is dan oranje en blauw.
Omdat ik mijn leven lang al een goede klant ben van de Rabobank, voel ik me sinds zondag ook een beetje geel.
Maandag was de rustdag in de Tour. Het was een lange dag, na twee dagen ingespannen TV kijken viel ik in een enorm gat. Veel renners houden hier ook niet van, omdat na een aantal dagen zware inspanningen een dag rust je vreselijk uit je ritme kan halen. Ik wist die middag niet echt wat ik met mezelf aan moest. Voor het eerst deze Tour keek ik achter elkaar het korte tourjournaal, de uitgebreide samenvatting van de finale van de Copa America (Brazilië-Argentinië, 3-0), het lange tourjournaal dat wegens de rustdag alleen maar uit sfeerreportages en de ellende van Astana bevatte, en later op de avond het leuterprogramma van Mart Smeets.
Dinsdag was dan de laatste Alpenetappe. In de krant las ik dat de uitzending al om half één zou beginnen, tegelijk met de start. Als ik dat eerder had geweten had ik me beter voorbereid. Ik wist dat ik de etappe in m’n eentje moest uitzitten, en iedereen weet, als je in de bergen alleen komt te zitten krijg je het heel moeilijk.
Het werd een zware middag. Met alle dopingaffaires tegenwoordig komt regelmatig de vraag voorbij of je de Tour uit kunt rijden op boterhammen met pindakaas. De idealisten zeggen van wel. De renners van tegenwoordig hebben allemaal getekend dat ze buiten de pindakaas om niks onreglementairs meer gebruiken, anders mochten ze de Tour niet rijden.
Mij interesseert het niet zo. In de Alpen sterven alle renners op hun fiets, met of zonder doping, en dat is de reden dat ik blijf kijken. Sterven en uit de dood herrijzen, dat is waar wielrennen om draait.
En er zijn er wat gestorven deze Tour, en soms weer opgestaan. Dat begon met Klöden, die na een val al een week met een gebarsten staartbeen rond schijnt te rijden. Vlak daarna de torenhoge favoriet Vinokourov. Hij viel in dezelfde etappe als zijn meesterknecht Klöden en heeft sinds die tijd een stuk of dertig hechtingen in zijn knieën en elleboog. Van Vino wordt gezegd dat hij drie of vier of vijf keer kan sterven en op het eind toch gaat winnen. Tot aan de rustdag geloofde iedereen dat ook. Maar vandaag werd hij voor de derde achtereenvolgende keer op een flinke achterstand gereden, en langzamerhand gelooft niemand meer in de Kazachse mythe.
Verder heeft O’Grady al zijn ribben gebroken, viel T-Mobilekopman Rogers in het zicht van de gele trui keihard op zijn schouder en moest huilend afstappen, en zit McEwen alweer thuis omdat hij het bergop dit jaar echt niet meer kon bijhouden.
De mythe komt dit jaar uit Denemarken. Rasmussen rijdt in het geel en moet mannen als Valverde, die in de voorgaande Tours ook altijd ziek werd of van zijn fiets viel, Evans, Moreau en Mayo bij zien te houden. Eigenlijk is hijzelf de enige die er echt in gelooft, maar het lukte wonderwel. Samen met Contador, Popovich, Leipheimer en Sastre richtten ze een enorm slagveld aan, met als voornaamste slachtoffers Menchov, Kachechkin en Vinokourov. Alleen op Valverde verloor Rasmussen tien seconden.
Maar dat bleek pas in de allerlaatste meters, toen ik al viereneenhalf uur had zitten afzien om deze etappe door te komen. Deze dag had ik geen mannetje bij me. Na vandaag zul je mij helemaal niet meer horen over doping. Als het kijken van een volledige etappe al zo’n zware klus is, hoe moet dat dan wel niet zijn als je hem fietsen moet?
Maar het is gelukt, op een broodje pindakaas en twee koppen koffie. Het was afzien in m’n eentje. Gelukkig sms’te Johanneke nog even in de laatste tien kilometer, dan weet je even weer dat je niet helemáál alleen zit.
De komende dagen zijn er voornamelijk vlakke ritten. Als de knechten van Rasmussen hun werk goed doen duurt de Deens-Nederlandse mythe minstens tot de tijdrit van zaterdag, en daarna komen er nieuwe kansen in de Pyreneeën. Morgen neem ik een rustdag, of begin pas in het laatste uur. Ik ga mezelf voor mijn inspanningen belonen met een geel T-shirt, en trek deze aan tot zaterdag. Of nog langer. Parijs is nog ver.
Het was een zware koers. Zaterdag was de eerste serieuze bergrit van de Tour de France 2007, de eerste rit waarin de favorieten moesten laten zien wat ze waard zijn. Het had de dag des oordeels moeten worden, maar uiteindelijk viel het mee. Voor de meeste favorieten lijkt niet verliezen belangrijker dan winnen. Alleen Christophe Moreau en Iban Mayo vielen in positieve zin op. Moreau , 36 jaar oud inmiddels, wordt per jaar sterker terwijl Mayo uit de doden is opgestaan. Ooit was hij de gedoodverfde opvolger van Lance Armstrong, maar zodra hij werd genoemd als toekomstige Tourwinnaar leek hij niet meer te kunnen fietsen en werd hij ziek zodra hij bergop moest.
Talo was gekomen om de etappe te kijken, en samen beleefden we een mooie middag.
Zondag keek ik in Ten Post, waar we de verjaardag van Jesse vierden. Het was de dag van Michael Rasmussen, onze nationale knuffeldeen van de Rabobank. Rasmussen kondigt elk jaar aan dat hij op die en die dag, om zus en zo laat hard gaat fietsen om de etappe en de bergtrui te winnen. Daar traint hij een heel jaar voor en op de aangekondigde dag is er niemand die hem bij kan houden. Hij reed soeverein naar de etappeoverwinning en de gele trui. Ik vroeg mij af of hij, gewichtsmaniak als hij is, die trui ook aan zou trekken als hij wist dat de kleur geel zwaarder is dan oranje en blauw.
Omdat ik mijn leven lang al een goede klant ben van de Rabobank, voel ik me sinds zondag ook een beetje geel.
Maandag was de rustdag in de Tour. Het was een lange dag, na twee dagen ingespannen TV kijken viel ik in een enorm gat. Veel renners houden hier ook niet van, omdat na een aantal dagen zware inspanningen een dag rust je vreselijk uit je ritme kan halen. Ik wist die middag niet echt wat ik met mezelf aan moest. Voor het eerst deze Tour keek ik achter elkaar het korte tourjournaal, de uitgebreide samenvatting van de finale van de Copa America (Brazilië-Argentinië, 3-0), het lange tourjournaal dat wegens de rustdag alleen maar uit sfeerreportages en de ellende van Astana bevatte, en later op de avond het leuterprogramma van Mart Smeets.
Dinsdag was dan de laatste Alpenetappe. In de krant las ik dat de uitzending al om half één zou beginnen, tegelijk met de start. Als ik dat eerder had geweten had ik me beter voorbereid. Ik wist dat ik de etappe in m’n eentje moest uitzitten, en iedereen weet, als je in de bergen alleen komt te zitten krijg je het heel moeilijk.
Het werd een zware middag. Met alle dopingaffaires tegenwoordig komt regelmatig de vraag voorbij of je de Tour uit kunt rijden op boterhammen met pindakaas. De idealisten zeggen van wel. De renners van tegenwoordig hebben allemaal getekend dat ze buiten de pindakaas om niks onreglementairs meer gebruiken, anders mochten ze de Tour niet rijden.
Mij interesseert het niet zo. In de Alpen sterven alle renners op hun fiets, met of zonder doping, en dat is de reden dat ik blijf kijken. Sterven en uit de dood herrijzen, dat is waar wielrennen om draait.
En er zijn er wat gestorven deze Tour, en soms weer opgestaan. Dat begon met Klöden, die na een val al een week met een gebarsten staartbeen rond schijnt te rijden. Vlak daarna de torenhoge favoriet Vinokourov. Hij viel in dezelfde etappe als zijn meesterknecht Klöden en heeft sinds die tijd een stuk of dertig hechtingen in zijn knieën en elleboog. Van Vino wordt gezegd dat hij drie of vier of vijf keer kan sterven en op het eind toch gaat winnen. Tot aan de rustdag geloofde iedereen dat ook. Maar vandaag werd hij voor de derde achtereenvolgende keer op een flinke achterstand gereden, en langzamerhand gelooft niemand meer in de Kazachse mythe.
Verder heeft O’Grady al zijn ribben gebroken, viel T-Mobilekopman Rogers in het zicht van de gele trui keihard op zijn schouder en moest huilend afstappen, en zit McEwen alweer thuis omdat hij het bergop dit jaar echt niet meer kon bijhouden.
De mythe komt dit jaar uit Denemarken. Rasmussen rijdt in het geel en moet mannen als Valverde, die in de voorgaande Tours ook altijd ziek werd of van zijn fiets viel, Evans, Moreau en Mayo bij zien te houden. Eigenlijk is hijzelf de enige die er echt in gelooft, maar het lukte wonderwel. Samen met Contador, Popovich, Leipheimer en Sastre richtten ze een enorm slagveld aan, met als voornaamste slachtoffers Menchov, Kachechkin en Vinokourov. Alleen op Valverde verloor Rasmussen tien seconden.
Maar dat bleek pas in de allerlaatste meters, toen ik al viereneenhalf uur had zitten afzien om deze etappe door te komen. Deze dag had ik geen mannetje bij me. Na vandaag zul je mij helemaal niet meer horen over doping. Als het kijken van een volledige etappe al zo’n zware klus is, hoe moet dat dan wel niet zijn als je hem fietsen moet?
Maar het is gelukt, op een broodje pindakaas en twee koppen koffie. Het was afzien in m’n eentje. Gelukkig sms’te Johanneke nog even in de laatste tien kilometer, dan weet je even weer dat je niet helemáál alleen zit.
De komende dagen zijn er voornamelijk vlakke ritten. Als de knechten van Rasmussen hun werk goed doen duurt de Deens-Nederlandse mythe minstens tot de tijdrit van zaterdag, en daarna komen er nieuwe kansen in de Pyreneeën. Morgen neem ik een rustdag, of begin pas in het laatste uur. Ik ga mezelf voor mijn inspanningen belonen met een geel T-shirt, en trek deze aan tot zaterdag. Of nog langer. Parijs is nog ver.
woensdag 27 juni 2007
Veldslag
Vannacht vocht ik met het leger van Napoleon tegen de Russen.
Eerst dacht ik dat we in de slag bij Borodino zaten, maar de legereenheden waren zo klein dat het wel een andere slag moest zijn. Ik wist niet welke, maar het was één op de weg naar Moskou.
Ik zat in de achterste linies, bij de artillerie. Wij voerden beschietingen uit, terwijl voor ons enkele regimenten op de vijand afgingen. Ik had alle vertrouwen in de goede afloop, want ik ken mijn geschiedenisboeken.
Het was, in 1812, een succesvolle campagne voor het Franse leger tot aan die gigantische veldslag onder de rook van Moskou. Tot op heden is men het niet eens wie daar de overwinnaar was. In ieder geval ging het vanaf dat moment bergafwaarts met het Franse leger, uiteindelijk bleef er vrijwel niets van over.
Met ons gevecht ging het goed, maar op een gegeven moment kwamen de eerste zwaargewonden terug uit de strijd. Er lag iemand op een brancard onder een wit laken met allemaal rode vlekken. Dat was een hele schok, want dat had ik niet verwacht van een veldslag die we zouden winnen.
Plotseling echter kwam een regiment Russische infanterie op ons af. Deze wisten wij met onze kanonnen nog van ons af te houden, er bleef niets van over. Geen bloed, geen doden en kermende gewonden, we zetten onze kanonnen er op en ze verdwenen gewoon.
Maar toen deed de Russische cavalerie een charge, en ze kwamen onze linies binnen denderen. Ze overspoelden onze batterij, we konden niets meer uitrichten. Waar ik het meest van schrok was dat de geschiedenis niet meer klopte. Wíj zouden winnen.
Het eindigde met een man-tegen-man-gevecht. Terwijl ik op de grond lag vond ik een geweer dat iemand verloren had en wilde de bajonet in een Rus steken, maar dat lukte maar half. Toen vond ik een ander geweer, met een langere bajonet. Er kwam een andere Rus op mij af, een dikke man met een zwarte snor in een heel kleurig uniform. Daar verbaasde ik mij nog over, want volgens de meeste boeken zijn Russische soldaten gekleed in grauwbruine uniformen.
Ik mikte heel goed, joeg de bajonet in zijn dikke lijf en hij viel neer. Maar ze waren met teveel en we werden ingemaakt.
De afloop maakte ik niet meer mee want toen werd ik wakker. Ik zweette niet, ik schreeuwde niet, ik had mijn bed niet omgewoeld, ik werd gewoon wakker.
Die laatste Rus leek sprekend op iemand die altijd in de stad rondloopt. Ik ken hem verder niet.
Eerst dacht ik dat we in de slag bij Borodino zaten, maar de legereenheden waren zo klein dat het wel een andere slag moest zijn. Ik wist niet welke, maar het was één op de weg naar Moskou.
Ik zat in de achterste linies, bij de artillerie. Wij voerden beschietingen uit, terwijl voor ons enkele regimenten op de vijand afgingen. Ik had alle vertrouwen in de goede afloop, want ik ken mijn geschiedenisboeken.
Het was, in 1812, een succesvolle campagne voor het Franse leger tot aan die gigantische veldslag onder de rook van Moskou. Tot op heden is men het niet eens wie daar de overwinnaar was. In ieder geval ging het vanaf dat moment bergafwaarts met het Franse leger, uiteindelijk bleef er vrijwel niets van over.
Met ons gevecht ging het goed, maar op een gegeven moment kwamen de eerste zwaargewonden terug uit de strijd. Er lag iemand op een brancard onder een wit laken met allemaal rode vlekken. Dat was een hele schok, want dat had ik niet verwacht van een veldslag die we zouden winnen.
Plotseling echter kwam een regiment Russische infanterie op ons af. Deze wisten wij met onze kanonnen nog van ons af te houden, er bleef niets van over. Geen bloed, geen doden en kermende gewonden, we zetten onze kanonnen er op en ze verdwenen gewoon.
Maar toen deed de Russische cavalerie een charge, en ze kwamen onze linies binnen denderen. Ze overspoelden onze batterij, we konden niets meer uitrichten. Waar ik het meest van schrok was dat de geschiedenis niet meer klopte. Wíj zouden winnen.
Het eindigde met een man-tegen-man-gevecht. Terwijl ik op de grond lag vond ik een geweer dat iemand verloren had en wilde de bajonet in een Rus steken, maar dat lukte maar half. Toen vond ik een ander geweer, met een langere bajonet. Er kwam een andere Rus op mij af, een dikke man met een zwarte snor in een heel kleurig uniform. Daar verbaasde ik mij nog over, want volgens de meeste boeken zijn Russische soldaten gekleed in grauwbruine uniformen.
Ik mikte heel goed, joeg de bajonet in zijn dikke lijf en hij viel neer. Maar ze waren met teveel en we werden ingemaakt.
De afloop maakte ik niet meer mee want toen werd ik wakker. Ik zweette niet, ik schreeuwde niet, ik had mijn bed niet omgewoeld, ik werd gewoon wakker.
Die laatste Rus leek sprekend op iemand die altijd in de stad rondloopt. Ik ken hem verder niet.
zaterdag 16 juni 2007
En verlos ons van de wielrenverslaggeving
De afgelopen dagen heb ik veel wielrennen gezien. De etappekoers Dauphiné Libéré is aan de gang en het is best spannend. De verslaggeving hierover is echter om te huilen. Het gaat alleen maar over doping. Ik heb me maar eens beklaagd bij de Volkskrantredactie. Geen idee of het geplaatst gaat worden.
Favoriet Alejandro Valverde lost aan het begin van de beklimming van de Mont Ventoux uit het peloton. Donderdag, vierde etappe van de wielerkoers Dauphiné Libéré.
Andere favoriet Alexandre Vinokourov kan halverwege de beruchte berg ook niet meer volgen. Dit tot grote verbazing van iedereen, want Vino had de dag ervoor nog met grote overmacht de tijdrit gewonnen. Christophe Moreau rijdt soeverein naar de dagzege. Het hele klassement staat hiermee op zijn kop. Katsjetsjkin, Vino’s meesterknecht, houdt in het algemeen klassement een minieme voorsprong op Moreau. Alles is weer mogelijk. Zelfs ‘onze’ Rabo-Rus Menchov doet weer mee.
Waar komt de Volkskrant mee de dag na deze prachtige etappe? Het zoveelste verhaal over dopingschandalen. Alsof we dat nog niet wisten. Beseffen redacteuren die zich met wielrennen bezig houden wel dat ze zichzelf overbodig aan het schrijven zijn als wielrenverslaggeving alleen nog over doping gaat in plaats van fietsen? Dat wil toch niemand meer lezen?
In een bijzin staat dat Valverde ziek was. Waarom wordt die man altijd ziek in rondes boven de Pyreneeën? En de favorieten houden zich in. Waarom? De nieuwe gele-truidrager wordt niet eens genoemd. Over de instorting van Vinokourov helemaal niets, behalve dat ‘hij naar de camera lachte’. Waarom lacht hij naar de camera? Ik heb die lach gezien, dat was van een Kazach met kiespijn. Die gaat niet voor zijn lol achteraan rijden, maar waarom dan wel? Dat wil ik weten uit een artikel over wielrennen.
Favoriet Alejandro Valverde lost aan het begin van de beklimming van de Mont Ventoux uit het peloton. Donderdag, vierde etappe van de wielerkoers Dauphiné Libéré.
Andere favoriet Alexandre Vinokourov kan halverwege de beruchte berg ook niet meer volgen. Dit tot grote verbazing van iedereen, want Vino had de dag ervoor nog met grote overmacht de tijdrit gewonnen. Christophe Moreau rijdt soeverein naar de dagzege. Het hele klassement staat hiermee op zijn kop. Katsjetsjkin, Vino’s meesterknecht, houdt in het algemeen klassement een minieme voorsprong op Moreau. Alles is weer mogelijk. Zelfs ‘onze’ Rabo-Rus Menchov doet weer mee.
Waar komt de Volkskrant mee de dag na deze prachtige etappe? Het zoveelste verhaal over dopingschandalen. Alsof we dat nog niet wisten. Beseffen redacteuren die zich met wielrennen bezig houden wel dat ze zichzelf overbodig aan het schrijven zijn als wielrenverslaggeving alleen nog over doping gaat in plaats van fietsen? Dat wil toch niemand meer lezen?
In een bijzin staat dat Valverde ziek was. Waarom wordt die man altijd ziek in rondes boven de Pyreneeën? En de favorieten houden zich in. Waarom? De nieuwe gele-truidrager wordt niet eens genoemd. Over de instorting van Vinokourov helemaal niets, behalve dat ‘hij naar de camera lachte’. Waarom lacht hij naar de camera? Ik heb die lach gezien, dat was van een Kazach met kiespijn. Die gaat niet voor zijn lol achteraan rijden, maar waarom dan wel? Dat wil ik weten uit een artikel over wielrennen.
donderdag 14 juni 2007
In de krant
De afgelopen nacht gaf ik mijn fiat aan de definitieve versie van mijn artikel. Het was voor het Nederlands Dagblad en gaat over het leven werk van de Groninger geschiedfilosoof Frank Ankersmit.
Ik was wel tevreden met wat Willem Bouwman, de redacteur, van de eindversie had gemaakt, en ik wilde er vanaf, het had me lang genoeg geduurd. Ik had dat hele boek van Ankersmit gelezen, wat een paar week kostte, heb er enorm van genoten maar voor zo'n artikel is het veel te veel werk. Daarna nog een paar dingen er omheen gelezen en uiteindelijk twee nachten, maandag-dinsdag en dinsdag-woensdag, zitten schrijven. Ewout had nog wat nuttige commentaren die ik er woensdagochtend in verwerkte, en toen de handel opgestuurd.
Aan het eind van de middag stuurde Willem een geredigeerde versie, wat wel een mooi schilderij was geworden. Helaas niet zo mooi als wat Anke ooit van een hoofdstuk van mijn scriptie maakte, maar dat kwam omdat zij alle primaire kleuren gebruikte terwijl Willem het bij rood hield.
Hij had wat nuances verwijderd die ik juist heel belangrijk vond om het onderwerp niet heel simplistisch voor te stellen. En hij had de mooiste zin van het stuk verwijderd, omdat hij hem niet begreep. Die zin bedacht ik pas toen ik al in bed lag en alles nog eens door mijn hoofd begon te spoken. Ik heb er nog een uur van wakker gelegen daarna.
Het was de zin die het af maakte. Het was de tweede helft van een lange zin die zorgde dat het eerste deel in een goed ritme kwam. Nu staat de eerste helft van die lange zin er nog, maar voor mijn gevoel gaapt er na de punt een diepe afgrond. Maar het was ook de zin die maakt dat het hele stuk tot zijn voleinding komt, om het wat Hegeliaans te zeggen. De zin die maakte dat het stuk helemaal van mij was. Maar tegelijk was het een zin die je niet helemaal serieus kunt nemen.
Ik mailde dat ik grotendeels tevreden was, maar dat die nuances die hij er uit had gehaald er toch eigenlijk echt in moesten. Over mijn zin mailde ik dat het eigenlijk een grapje was.
Daarna had ik de theoretische barbecue met de Groninger geschiedfilosofen, onder meer met mijn onderwerp van de afgelopen dagen. Inclusief het terras werd het aardig laat en wazig. Desondanks leek het mij goed om even te kijken of Willem nog had gemaild, en in mijn postbus zat inderdaad de eindversie. Zonder mijn superzin. Ik heb het er maar bij gelaten want ik kon er geen goede argumentatie bij verzinnen.
Nu heb ik spijt dat ik niet gewoon heb gezegd dat hij er in moest. Ik heb nog te veel ontzag voor Willem en andere opdrachtgevers en iedereen waarvan ik denk dat die er wel meer verstand van zal hebben dan ik.
Er is nu hier vlakbij een woest studentenfeest aan de gang. Ze brullen over Carnaval in t Noorden. Van slapen komt voorlopig niet veel vrees ik. Morgen sta ik in de krant.
http://www.artikelenjwtamminga.blogspot.com/
of lees het ND
Ik was wel tevreden met wat Willem Bouwman, de redacteur, van de eindversie had gemaakt, en ik wilde er vanaf, het had me lang genoeg geduurd. Ik had dat hele boek van Ankersmit gelezen, wat een paar week kostte, heb er enorm van genoten maar voor zo'n artikel is het veel te veel werk. Daarna nog een paar dingen er omheen gelezen en uiteindelijk twee nachten, maandag-dinsdag en dinsdag-woensdag, zitten schrijven. Ewout had nog wat nuttige commentaren die ik er woensdagochtend in verwerkte, en toen de handel opgestuurd.
Aan het eind van de middag stuurde Willem een geredigeerde versie, wat wel een mooi schilderij was geworden. Helaas niet zo mooi als wat Anke ooit van een hoofdstuk van mijn scriptie maakte, maar dat kwam omdat zij alle primaire kleuren gebruikte terwijl Willem het bij rood hield.
Hij had wat nuances verwijderd die ik juist heel belangrijk vond om het onderwerp niet heel simplistisch voor te stellen. En hij had de mooiste zin van het stuk verwijderd, omdat hij hem niet begreep. Die zin bedacht ik pas toen ik al in bed lag en alles nog eens door mijn hoofd begon te spoken. Ik heb er nog een uur van wakker gelegen daarna.
Het was de zin die het af maakte. Het was de tweede helft van een lange zin die zorgde dat het eerste deel in een goed ritme kwam. Nu staat de eerste helft van die lange zin er nog, maar voor mijn gevoel gaapt er na de punt een diepe afgrond. Maar het was ook de zin die maakt dat het hele stuk tot zijn voleinding komt, om het wat Hegeliaans te zeggen. De zin die maakte dat het stuk helemaal van mij was. Maar tegelijk was het een zin die je niet helemaal serieus kunt nemen.
Ik mailde dat ik grotendeels tevreden was, maar dat die nuances die hij er uit had gehaald er toch eigenlijk echt in moesten. Over mijn zin mailde ik dat het eigenlijk een grapje was.
Daarna had ik de theoretische barbecue met de Groninger geschiedfilosofen, onder meer met mijn onderwerp van de afgelopen dagen. Inclusief het terras werd het aardig laat en wazig. Desondanks leek het mij goed om even te kijken of Willem nog had gemaild, en in mijn postbus zat inderdaad de eindversie. Zonder mijn superzin. Ik heb het er maar bij gelaten want ik kon er geen goede argumentatie bij verzinnen.
Nu heb ik spijt dat ik niet gewoon heb gezegd dat hij er in moest. Ik heb nog te veel ontzag voor Willem en andere opdrachtgevers en iedereen waarvan ik denk dat die er wel meer verstand van zal hebben dan ik.
Er is nu hier vlakbij een woest studentenfeest aan de gang. Ze brullen over Carnaval in t Noorden. Van slapen komt voorlopig niet veel vrees ik. Morgen sta ik in de krant.
http://www.artikelenjwtamminga.blogspot.com/
of lees het ND
dinsdag 12 juni 2007
Waarom jWT nog niet dood mag
Vanmiddag werd ik gebeld door Joost de Niet van Algemeen Belang, de overkoepelende organisatie van een aantal regionale uitvaartverzekeringen. Hij deelde mij mee dat ze mij, mocht hiertoe aanleiding bestaan, niet willen begraven,.
Dat zeg ik overigens niet helemaal correct, ze willen mij niet verzekeren voor een uitvaart.
Ik ben op mijn 18e zelfstandig lid geworden van de uitvaartvereniging Ten Post e.o., omdat dat zo hoorde. Daarvoor was ik lid als zijnde onderdeel van de familie Tamminga. Tot nu toe heb ik ieder jaar mijn contributie een half jaar te laat betaald, en ging er van uit dat het wel goed zou komen mocht ik onverwacht overlijden.
Totdat ik een paar weken terug gebeld werd door Algemeen Belang (AB)., waar uitvaartvereniging Ten Post e.o. onderdeel van is. Dat wist ik ook niet. AB was bezig al haar leden bij langs te gaan, omdat veel mensen niets of onvoldoende hebben geregeld voor hun uitvaart. Dit leidt er vaak toe dat de nabestaanden voor de kosten opdraaien.
Ik kreeg bezoek van de heer De Niet. Hij rekende mij voor dat een bescheiden uitvaart ongeveer 8000 euro kost. Uitvaartvereniging Ten Post e.o. betaalt hiervan zo’n 800, de rest moet je zelf betalen of de nabestaanden. Zelf betalen houdt dus in dat je genoeg op je bankrekening moet hebben voor een begrafenis.
De heer De Niet, Joost inmiddels, stelde voor dat ik mij bij zou verzekeren tot ik een bedrag had opgespaard dat voldoende is voor een bescheiden uitvaart. Ik zou dan aantal jaar zo’n 20 euro per maand moeten betalen. Ik kon kiezen of ik mijn premie in tien of twintig jaar wilde opbouwen. Het maakte mij niet zoveel uit dus koos ik voor twintig.
Wel moest hij informeren of ik geaccepteerd zou worden. Iedereen gaat een keer dood, maar ik zou als risicogeval geweigerd kunnen worden. Risicogeval in de zin van dat de kans dat ik dood zou gaan voor ik mijn begrafenis had betaald te groot geacht zou kunnen worden. Joost zei het nog diplomatieker dan ik hier probeer. Hij zou er naar informeren, en bij die mededeling trok hij een luchtig gezicht om te voorkomen dat ik zorgen zou maken.
Vanmiddag belde hij terug. Ze willen me niet begraven, ik vorm een te groot risico. De kans dat ik sterf voor ik heb betaald is te groot.
Ik merkte dat de heer De Niet er tegenop zag mij dit mede te delen. Alle jovialiteit en vrolijkheid van de vorige keer was verdwenen, hij wilde zo snel mogelijk van mij af. Als ik nog vragen had over het advies moest ik de betrokken arts-adviseur maar bellen, hij gaf mij de naam en het nummer stond wel in de informatiemap die hij mij gegeven had. Ik liet hem de mededeling nog even herhalen om het helemaal te begrijpen, wat hij met hoorbare tegenzin deed.
Voorlopig blijf ik dus. Eerst moet ik mijn dood verzekeren.
Dat zeg ik overigens niet helemaal correct, ze willen mij niet verzekeren voor een uitvaart.
Ik ben op mijn 18e zelfstandig lid geworden van de uitvaartvereniging Ten Post e.o., omdat dat zo hoorde. Daarvoor was ik lid als zijnde onderdeel van de familie Tamminga. Tot nu toe heb ik ieder jaar mijn contributie een half jaar te laat betaald, en ging er van uit dat het wel goed zou komen mocht ik onverwacht overlijden.
Totdat ik een paar weken terug gebeld werd door Algemeen Belang (AB)., waar uitvaartvereniging Ten Post e.o. onderdeel van is. Dat wist ik ook niet. AB was bezig al haar leden bij langs te gaan, omdat veel mensen niets of onvoldoende hebben geregeld voor hun uitvaart. Dit leidt er vaak toe dat de nabestaanden voor de kosten opdraaien.
Ik kreeg bezoek van de heer De Niet. Hij rekende mij voor dat een bescheiden uitvaart ongeveer 8000 euro kost. Uitvaartvereniging Ten Post e.o. betaalt hiervan zo’n 800, de rest moet je zelf betalen of de nabestaanden. Zelf betalen houdt dus in dat je genoeg op je bankrekening moet hebben voor een begrafenis.
De heer De Niet, Joost inmiddels, stelde voor dat ik mij bij zou verzekeren tot ik een bedrag had opgespaard dat voldoende is voor een bescheiden uitvaart. Ik zou dan aantal jaar zo’n 20 euro per maand moeten betalen. Ik kon kiezen of ik mijn premie in tien of twintig jaar wilde opbouwen. Het maakte mij niet zoveel uit dus koos ik voor twintig.
Wel moest hij informeren of ik geaccepteerd zou worden. Iedereen gaat een keer dood, maar ik zou als risicogeval geweigerd kunnen worden. Risicogeval in de zin van dat de kans dat ik dood zou gaan voor ik mijn begrafenis had betaald te groot geacht zou kunnen worden. Joost zei het nog diplomatieker dan ik hier probeer. Hij zou er naar informeren, en bij die mededeling trok hij een luchtig gezicht om te voorkomen dat ik zorgen zou maken.
Vanmiddag belde hij terug. Ze willen me niet begraven, ik vorm een te groot risico. De kans dat ik sterf voor ik heb betaald is te groot.
Ik merkte dat de heer De Niet er tegenop zag mij dit mede te delen. Alle jovialiteit en vrolijkheid van de vorige keer was verdwenen, hij wilde zo snel mogelijk van mij af. Als ik nog vragen had over het advies moest ik de betrokken arts-adviseur maar bellen, hij gaf mij de naam en het nummer stond wel in de informatiemap die hij mij gegeven had. Ik liet hem de mededeling nog even herhalen om het helemaal te begrijpen, wat hij met hoorbare tegenzin deed.
Voorlopig blijf ik dus. Eerst moet ik mijn dood verzekeren.
zondag 3 juni 2007
Burengerucht
Het afgelopen uur, vanaf ongeveer 23.30, was ik getuige van de relatiecrisis van onze nieuwe bovenburen. Niet die van die scooters en die smartlappen, die voorstelden dat we de politie maar moesten bellen als we last hadden van hun feestje, maar die aardige, beschaafde buren.
Het begon ermee dat boven mijn kamer een deur keihard werd dichtgeslagen. Daarna moeten ze een blokje om zijn gelopen, gerend is meer waarschijnlijk, want heel snel daarna stonden ze voor mijn terrasdeur. Dat is minder vreemd dan het klinkt, want hun fietsenschuurtje staat op zo’n vijf meter van mijn kamer.
Hun ruzie bestond er uit dat hij ruim een uur lang tegen haar schreeuwde, en dat zij op twee meter afstand tegen het schuurtje tegenover stond te huilen.
Zijn schreeuwen gebeurde overigens in gearticuleerde volzinnen, waarbij hij steeds een beschaafde toon hield. Retorisch is de buurman heel behoorlijk ontwikkeld. Hij verweet haar kinderachtig gedrag, hij wilde haar helpen met iets in elkaar zetten (ze zijn hun huis nog aan het verbouwen) maar daar reageerde ze niet op zoals het hoort, ze negeerde mensen en hem in het bijzonder, ze moest eens terugdenken aan de situatie waar hij haar uit had gehaald, en waar haar vriendinnen nog in zaten, als hij vreemd was gegaan was haar gedrag begrijpelijk, enzovoorts. ‘Dat is toch geen samenwonen’, riep hij een keer of drie. Zij huilde alleen maar terug, ze lijkt mij best sympathiek.
Ik noem wat losse punten, maar zijn betoog zat echt goed in elkaar. Het ging van heel persoonlijk naar een wat algemenere moraal ten aanzien van regels van fatsoen tussen mensen, tot aan een complete gedragsethiek. Op het hoogtepunt voegde hij haar toe ‘in wat voor maatschappij komen we dan terecht!!!’ Vandaar ging hij weer naar haar en hun situatie. Persoonlijk, algemeen, universeel en dat weer op de persoonlijke situatie betrekken. Er zat ook nog iets in van ellende verlossing dankbaarheid, maar omdat de ellende deels bestond uit het gebrek aan dankbaarheid verzandde hij op dit gebied enigszins in een cirkelredenering. Om dat overtuigend te brengen moet je van goeden huize komen.
Het was als een helemaal geïmproviseerde preek van een predikant die niet zoveel te melden heeft maar dat knap weet te verbergen met heel veel grote woorden.
Af en toe controleerde ik even of ze elkaars lichamelijke integriteit respecteerden, maar op dat gebied deden zich geen incidenten voor. Ze leken juist besloten te hebben om wat afstand te bewaren.
Waarom deze conversatie op die locatie moest worden gevoerd werd mij niet duidelijk. Het lijkt mij wel een duo dat net uit een dorp komt en nog niet door heeft dat in een stad overal mensen zijn. Ook kan ik me goed voorstellen dat ze graag frisse lucht bij hun woordenwisseling wilden.
Na de ruzie gingen ze weer naar hun huis, maar kwamen snel terug om nog wat dingen in het schuurtje te zetten. Ik draaide mij om en wisselde per ongeluk een blik met mijn buurman. Boven is het stil nu. Ik hoop dat ze dit niet te vaak voor mijn raam gaan doen. En in huis ook liever niet. We hebben die andere buren ook al.
Het begon ermee dat boven mijn kamer een deur keihard werd dichtgeslagen. Daarna moeten ze een blokje om zijn gelopen, gerend is meer waarschijnlijk, want heel snel daarna stonden ze voor mijn terrasdeur. Dat is minder vreemd dan het klinkt, want hun fietsenschuurtje staat op zo’n vijf meter van mijn kamer.
Hun ruzie bestond er uit dat hij ruim een uur lang tegen haar schreeuwde, en dat zij op twee meter afstand tegen het schuurtje tegenover stond te huilen.
Zijn schreeuwen gebeurde overigens in gearticuleerde volzinnen, waarbij hij steeds een beschaafde toon hield. Retorisch is de buurman heel behoorlijk ontwikkeld. Hij verweet haar kinderachtig gedrag, hij wilde haar helpen met iets in elkaar zetten (ze zijn hun huis nog aan het verbouwen) maar daar reageerde ze niet op zoals het hoort, ze negeerde mensen en hem in het bijzonder, ze moest eens terugdenken aan de situatie waar hij haar uit had gehaald, en waar haar vriendinnen nog in zaten, als hij vreemd was gegaan was haar gedrag begrijpelijk, enzovoorts. ‘Dat is toch geen samenwonen’, riep hij een keer of drie. Zij huilde alleen maar terug, ze lijkt mij best sympathiek.
Ik noem wat losse punten, maar zijn betoog zat echt goed in elkaar. Het ging van heel persoonlijk naar een wat algemenere moraal ten aanzien van regels van fatsoen tussen mensen, tot aan een complete gedragsethiek. Op het hoogtepunt voegde hij haar toe ‘in wat voor maatschappij komen we dan terecht!!!’ Vandaar ging hij weer naar haar en hun situatie. Persoonlijk, algemeen, universeel en dat weer op de persoonlijke situatie betrekken. Er zat ook nog iets in van ellende verlossing dankbaarheid, maar omdat de ellende deels bestond uit het gebrek aan dankbaarheid verzandde hij op dit gebied enigszins in een cirkelredenering. Om dat overtuigend te brengen moet je van goeden huize komen.
Het was als een helemaal geïmproviseerde preek van een predikant die niet zoveel te melden heeft maar dat knap weet te verbergen met heel veel grote woorden.
Af en toe controleerde ik even of ze elkaars lichamelijke integriteit respecteerden, maar op dat gebied deden zich geen incidenten voor. Ze leken juist besloten te hebben om wat afstand te bewaren.
Waarom deze conversatie op die locatie moest worden gevoerd werd mij niet duidelijk. Het lijkt mij wel een duo dat net uit een dorp komt en nog niet door heeft dat in een stad overal mensen zijn. Ook kan ik me goed voorstellen dat ze graag frisse lucht bij hun woordenwisseling wilden.
Na de ruzie gingen ze weer naar hun huis, maar kwamen snel terug om nog wat dingen in het schuurtje te zetten. Ik draaide mij om en wisselde per ongeluk een blik met mijn buurman. Boven is het stil nu. Ik hoop dat ze dit niet te vaak voor mijn raam gaan doen. En in huis ook liever niet. We hebben die andere buren ook al.
donderdag 31 mei 2007
Alleen de stam
In het kader van het 100-jarig bestaan van mijn oude basisschool konden we herinneringen insturen voor een eventueel te verschijnen boek. Onderstaand voorval is mij altijd bijgebleven.
In groep 5 zat ik vaak wat mee te luisteren naar de lessen van Meester de Beer aan groep 6. Dat kan ook haast niet anders als je met twee klassen in één lokaal zit. Wekenlang, in mijn beleving misschien wel maanden, hoorde ik een zin voorbijkomen, steeds dezelfde.
"Als ik er bij staat, en jij-je er achter, dan alleen de stam."
Ik met mijn aangeboren grammaticale sensitiviteit wist meteen dat deze zin van geen kant klopte, maar wat bezielde een verstandig en erudiet man als Meester de Beer toch om al die tijd zulke wartaal uit te slaan?
‘Als ik er bij staat’, (klopt niet!!, en waar staat die ik bij?), ‘en jij-je er achter’ (wat bazelt ‘ie, wie is die jij-je?), ‘dan alleen de stam’, (welke stam en wat doet die jij-je daar achter die stam?). Maar als kind aanvaard je dat soort mysteries gelovig. Ik vertrouwde er op dat het mij later geopenbaard zou worden. En dat gebeurde.
Toen ik een jaar later het lesboekje dat bij de zin hoorde onder ogen kreeg en eindelijk de volledige uitleg, had ik het meteen door. Het waren lessen grammatica, en met name de problematiek van d's, t's en dt's. Dat heb ik dus mijn leven lang niet meer fout gedaan.
In groep 5 zat ik vaak wat mee te luisteren naar de lessen van Meester de Beer aan groep 6. Dat kan ook haast niet anders als je met twee klassen in één lokaal zit. Wekenlang, in mijn beleving misschien wel maanden, hoorde ik een zin voorbijkomen, steeds dezelfde.
"Als ik er bij staat, en jij-je er achter, dan alleen de stam."
Ik met mijn aangeboren grammaticale sensitiviteit wist meteen dat deze zin van geen kant klopte, maar wat bezielde een verstandig en erudiet man als Meester de Beer toch om al die tijd zulke wartaal uit te slaan?
‘Als ik er bij staat’, (klopt niet!!, en waar staat die ik bij?), ‘en jij-je er achter’ (wat bazelt ‘ie, wie is die jij-je?), ‘dan alleen de stam’, (welke stam en wat doet die jij-je daar achter die stam?). Maar als kind aanvaard je dat soort mysteries gelovig. Ik vertrouwde er op dat het mij later geopenbaard zou worden. En dat gebeurde.
Toen ik een jaar later het lesboekje dat bij de zin hoorde onder ogen kreeg en eindelijk de volledige uitleg, had ik het meteen door. Het waren lessen grammatica, en met name de problematiek van d's, t's en dt's. Dat heb ik dus mijn leven lang niet meer fout gedaan.
vrijdag 25 mei 2007
Mont Blanc
Gisteren heb ik eindelijk eens met een Mont Blanc geschreven. Mont Blanc is het duurste pennenmerk dat bestaat, voor zover ik weet. Ik had er het één en ander over gehoord en gelezen, en wel eens kwijlend op de website van Mont Blanc gekeken.
Inderdaad, ik ben pennenfreak. Ik moet als ik er voorbij kom altijd even in de etalage van een pennenwinkel kijken, ga soms even naar binnen om te kijken of er nog wat moois bij ligt. Gelukkig ben ik ook wel weer dermate kritisch dat ik niet zomaar van alles meeneem, maar met name als er iets in de aanbieding is kan ik het vaak niet laten.
Het duurste wat ik tot nu toe heb aangeschaft is mijn Parker Rollerball, tegen de 70 euro, van een paar jaar opgespaard verjaardagsgeld.
Maar ik ging gisteren naar de kantoorboekhandel om te kijken naar de notitieboekjes van Moleskine, die erg handig schijnen te zijn. Dagblad Trouw verkoopt ze via haar speciale schrijverspagina, maar ik dacht, dat zal wel voornamelijk zijn voor mensen die graag schrijver willen zijn en zich om die reden volhangen met allemaal schrijversattributen. Maar de website van Moleskine zag er veelbelovend uit. In de kantoorboekhandel vond ik ze vrij snel, ze hebben een formaat waarmee ze in je colbert passen, hebben toch 192 pagina’s, een elastiekje om ze dicht te houden en een soort zak van gevouwen papier waar je losse notitieblaadjes en bonnetjes in kunt bewaren. Erg handig. Bovendien zien ze er mooi uit, zwart hardkaft, en klassiek, vooral klassiek. In een velletje met een toelichting en het verhaal van Moleskine wordt verteld welke grote schrijvers nooit zonder hun Moleskine op pad gingen.
Ik zocht één van de beschikbare Moleskine’s uit, er lagen ongeveer tien verschillende, en legde deze met een zeker air op de toonbank.
‘Deze maar doen’, vroeg de dame die daarachter stond. Ik antwoordde bevestigend, en dacht, het is nu of nooit.
‘Heeft u hier ook pennen van Mont Blanc,’ vroeg ik stotterend.Weg was mijn zelfverzekerdheid. Ik durfde het nauwelijks hardop te zeggen, maar een klant die naar het chicste pennenmerk ooit vraagt, wordt met respect behandeld.
Ik werd meegenomen naar achteren waar de pennen in een vitrine liggen. De Mont Blancs overigens niet, die lagen in een kastje ergens boven. Ze had nog één pen, een balpen. Ik schreef er mee op het kladblaadje dat altijd klaar ligt om pennen te proberen, ik kreeg een beter kladblok, en ik dacht, ik schrijf nu met een Mont Blanc. En ik schreef iets als ‘ik schrijf nu met een Mont Blanc’. Ik probeerde nonchalant te vragen wat je nu zo voor zo’n pen betaalt. 200 euro, bleek. Het enthousiasme van de vrouw nam nauwelijks af toen ik zei dat ik dat nu echt niet kon doen, wat ik voor de demonstratie ook al had gezegd. Ik vroeg waarom de Mont Blanc nou zo duur is, en ze noemde de voor mij onuitspreekbare naam van een bepaalde stof, een soort hars, die om de pen zit om te voorkomen dat er krassen op komen als hij valt.
Toen ging het mis, al weet ik niet meer waarom. Ze trok een ander rekje pennen te voorschijn. Sheaffers. Prachtige pennen. Ik heb een prachtige Parker (roller, van mijn verjaardagsgeld) in zwart met goud,, een prachtige Waterman (balpen, was in de aanbieding) in rood en zwart en goud, en een Sheaffer (balpen, van een opruiming bij V&D) die wat tegenvalt. De mond van de pen waar de stift doorheen moet is net te ruim, waardoor de stift wiebelt in de mond als je schrijft. Ik hecht aan stabiliteit tijdens het schrijven.
Hier waren alle Sheaffers voor de halve prijs omdat ze stoppen met het merk wegens ruimtegebrek. Er lagen twee prachtige rollers, groen met goud en blauw met goud, ze schreven fantastisch omdat er, in tegenstelling tot mijn Parker, een voorgevormde duimgreep op zit zodat je nog beter grip hebt. Ze mochten iets meer gewicht hebben, dat heeft mijn Parker dan weer voor. Een plakkertje zei 68 euro. Kan niet, zei ik, maar na twee keer bleek dat ik niet had gezien dat die 68 gehalveerd zou worden.
En ja, toen was er natuurlijk geen houden meer aan. Ik koos de blauwe, 34 euro, en rekende deze samen met mijn notitieboekje af. Sheaffer en Moleskine, nu is het wel zeker dat mijn boek af móet.
En eens, dacht ik, na de eerste 10.000 ofzo, kom ik hier weer en schaf mijn Mont Blanc aan. Nog een reden om vooral door te schrijven.
Inderdaad, ik ben pennenfreak. Ik moet als ik er voorbij kom altijd even in de etalage van een pennenwinkel kijken, ga soms even naar binnen om te kijken of er nog wat moois bij ligt. Gelukkig ben ik ook wel weer dermate kritisch dat ik niet zomaar van alles meeneem, maar met name als er iets in de aanbieding is kan ik het vaak niet laten.
Het duurste wat ik tot nu toe heb aangeschaft is mijn Parker Rollerball, tegen de 70 euro, van een paar jaar opgespaard verjaardagsgeld.
Maar ik ging gisteren naar de kantoorboekhandel om te kijken naar de notitieboekjes van Moleskine, die erg handig schijnen te zijn. Dagblad Trouw verkoopt ze via haar speciale schrijverspagina, maar ik dacht, dat zal wel voornamelijk zijn voor mensen die graag schrijver willen zijn en zich om die reden volhangen met allemaal schrijversattributen. Maar de website van Moleskine zag er veelbelovend uit. In de kantoorboekhandel vond ik ze vrij snel, ze hebben een formaat waarmee ze in je colbert passen, hebben toch 192 pagina’s, een elastiekje om ze dicht te houden en een soort zak van gevouwen papier waar je losse notitieblaadjes en bonnetjes in kunt bewaren. Erg handig. Bovendien zien ze er mooi uit, zwart hardkaft, en klassiek, vooral klassiek. In een velletje met een toelichting en het verhaal van Moleskine wordt verteld welke grote schrijvers nooit zonder hun Moleskine op pad gingen.
Ik zocht één van de beschikbare Moleskine’s uit, er lagen ongeveer tien verschillende, en legde deze met een zeker air op de toonbank.
‘Deze maar doen’, vroeg de dame die daarachter stond. Ik antwoordde bevestigend, en dacht, het is nu of nooit.
‘Heeft u hier ook pennen van Mont Blanc,’ vroeg ik stotterend.Weg was mijn zelfverzekerdheid. Ik durfde het nauwelijks hardop te zeggen, maar een klant die naar het chicste pennenmerk ooit vraagt, wordt met respect behandeld.
Ik werd meegenomen naar achteren waar de pennen in een vitrine liggen. De Mont Blancs overigens niet, die lagen in een kastje ergens boven. Ze had nog één pen, een balpen. Ik schreef er mee op het kladblaadje dat altijd klaar ligt om pennen te proberen, ik kreeg een beter kladblok, en ik dacht, ik schrijf nu met een Mont Blanc. En ik schreef iets als ‘ik schrijf nu met een Mont Blanc’. Ik probeerde nonchalant te vragen wat je nu zo voor zo’n pen betaalt. 200 euro, bleek. Het enthousiasme van de vrouw nam nauwelijks af toen ik zei dat ik dat nu echt niet kon doen, wat ik voor de demonstratie ook al had gezegd. Ik vroeg waarom de Mont Blanc nou zo duur is, en ze noemde de voor mij onuitspreekbare naam van een bepaalde stof, een soort hars, die om de pen zit om te voorkomen dat er krassen op komen als hij valt.
Toen ging het mis, al weet ik niet meer waarom. Ze trok een ander rekje pennen te voorschijn. Sheaffers. Prachtige pennen. Ik heb een prachtige Parker (roller, van mijn verjaardagsgeld) in zwart met goud,, een prachtige Waterman (balpen, was in de aanbieding) in rood en zwart en goud, en een Sheaffer (balpen, van een opruiming bij V&D) die wat tegenvalt. De mond van de pen waar de stift doorheen moet is net te ruim, waardoor de stift wiebelt in de mond als je schrijft. Ik hecht aan stabiliteit tijdens het schrijven.
Hier waren alle Sheaffers voor de halve prijs omdat ze stoppen met het merk wegens ruimtegebrek. Er lagen twee prachtige rollers, groen met goud en blauw met goud, ze schreven fantastisch omdat er, in tegenstelling tot mijn Parker, een voorgevormde duimgreep op zit zodat je nog beter grip hebt. Ze mochten iets meer gewicht hebben, dat heeft mijn Parker dan weer voor. Een plakkertje zei 68 euro. Kan niet, zei ik, maar na twee keer bleek dat ik niet had gezien dat die 68 gehalveerd zou worden.
En ja, toen was er natuurlijk geen houden meer aan. Ik koos de blauwe, 34 euro, en rekende deze samen met mijn notitieboekje af. Sheaffer en Moleskine, nu is het wel zeker dat mijn boek af móet.
En eens, dacht ik, na de eerste 10.000 ofzo, kom ik hier weer en schaf mijn Mont Blanc aan. Nog een reden om vooral door te schrijven.
maandag 14 mei 2007
Historici en toekomstperspectief
Vorige weer vrijdag was ik op een carrièredag van de faculteit Geschiedenis, voor bijna en pas afgestudeerden. Dit vanuit de gedachte dat het misschien niet verkeerd zou zijn eens iets nuttigs met mijn tijd te gaan doen, of een achterdeurtje te hebben voor het geval dat alles waar ik mij nu mee bezig houd mislukt.
Dit soort dagen bezoek ik altijd met een redelijke portie tegenzin. Het enthousiasme dat er hangt, al die jonge mensen die staat te trappelen om aan hun loopbaan te beginnen.
Pas sinds kort durf ik hardop voor mezelf te bekennen dat ik een hekel aan werken heb. Het is geweldig incorrect om te zeggen, te meer daar ik ook nog nooit echt gewerkt heb. Werken is voor mensen die zich niet kunnen vervelen. Werken is voor mensen die niks te doen hebben. Critici zullen nu zeggen dat ik daar niks over kan zeggen omdat ik blijkbaar geen idee heb wat het is en wat voor voldoening werken schenkt. En ik zal ze daarop gelijk geven, zonder tegenspreken zelfs.
Het was overigens een mooie dag, vrijdag. Er hing een opgewekte sfeer van historici die het gaan maken. Dit werd ingegeven door de sprekers en workshopleiders, vrijwel allemaal historici die het gemaakt hadden. De één bouwde en verbouwde museumcollecties, een ander was informatietechnoloog, iemand werkte voor de werkgeversbelangenvereniging, er was een militair analist en een voormalig correspondent in Iran en het Midden-Oosten, nu journalist bij dagblad De Pers en bezig een eigen media-imperium op te bouwen. Allemaal vlotte jongens en meiden, allemaal een totaal onvoorspelbare carrière, allemaal hun tegenslagen overwonnen en een boel geluk gehad, zeiden ze zelf. En allemaal hadden ze maar één boodschap: luister naar nuttige adviezen maar volg altijd je eigen hoofd en je eigen plan. Met deze boodschap werden inhoudelijke vragen in de kiem gesmoord, want valt er nog te vragen na dit evangelie?
Er gaat bij dergelijke bijeenkomsten meestal een korte golf van enthousiasme door de rijen, een gevoel van saamhorigheid, de bereidheid elkaar te helpen en elkanders lasten te dragen, wij historici, wij zullen de wereld laten zien wie we zijn en wat we kunnen. En ik ging er in mee, merkte ik, kreeg ook visioenen van een mooie, belangrijke functie, flink aanzien, een goed salaris en ontmoetingen met allemaal belangrijke mensen.
Dáárom hou ik niet van deze dagen. Ik ben niet bang om te werken, ik ben bang om zin te krijgen in werken. Ik ben bang bevangen te worden door het enthousiasme voor werk. Graag zie ik dat 'in het zweet uws aanschijns' het karakter van een straf behoudt, zodat ik mijn enthousiasme voor iets anders kan bewaren. We werken per slot om de bliksemse bende draaiende te houden.
Dit soort dagen bezoek ik altijd met een redelijke portie tegenzin. Het enthousiasme dat er hangt, al die jonge mensen die staat te trappelen om aan hun loopbaan te beginnen.
Pas sinds kort durf ik hardop voor mezelf te bekennen dat ik een hekel aan werken heb. Het is geweldig incorrect om te zeggen, te meer daar ik ook nog nooit echt gewerkt heb. Werken is voor mensen die zich niet kunnen vervelen. Werken is voor mensen die niks te doen hebben. Critici zullen nu zeggen dat ik daar niks over kan zeggen omdat ik blijkbaar geen idee heb wat het is en wat voor voldoening werken schenkt. En ik zal ze daarop gelijk geven, zonder tegenspreken zelfs.
Het was overigens een mooie dag, vrijdag. Er hing een opgewekte sfeer van historici die het gaan maken. Dit werd ingegeven door de sprekers en workshopleiders, vrijwel allemaal historici die het gemaakt hadden. De één bouwde en verbouwde museumcollecties, een ander was informatietechnoloog, iemand werkte voor de werkgeversbelangenvereniging, er was een militair analist en een voormalig correspondent in Iran en het Midden-Oosten, nu journalist bij dagblad De Pers en bezig een eigen media-imperium op te bouwen. Allemaal vlotte jongens en meiden, allemaal een totaal onvoorspelbare carrière, allemaal hun tegenslagen overwonnen en een boel geluk gehad, zeiden ze zelf. En allemaal hadden ze maar één boodschap: luister naar nuttige adviezen maar volg altijd je eigen hoofd en je eigen plan. Met deze boodschap werden inhoudelijke vragen in de kiem gesmoord, want valt er nog te vragen na dit evangelie?
Er gaat bij dergelijke bijeenkomsten meestal een korte golf van enthousiasme door de rijen, een gevoel van saamhorigheid, de bereidheid elkaar te helpen en elkanders lasten te dragen, wij historici, wij zullen de wereld laten zien wie we zijn en wat we kunnen. En ik ging er in mee, merkte ik, kreeg ook visioenen van een mooie, belangrijke functie, flink aanzien, een goed salaris en ontmoetingen met allemaal belangrijke mensen.
Dáárom hou ik niet van deze dagen. Ik ben niet bang om te werken, ik ben bang om zin te krijgen in werken. Ik ben bang bevangen te worden door het enthousiasme voor werk. Graag zie ik dat 'in het zweet uws aanschijns' het karakter van een straf behoudt, zodat ik mijn enthousiasme voor iets anders kan bewaren. We werken per slot om de bliksemse bende draaiende te houden.
dinsdag 8 mei 2007
Pxd4
Vanavond was ik voor het eerst sinds een week of drie weer op de schaakclub. Het moest weer eens. Erik Hoeksema, vaste clubkampioen en speler van Groningen 1, zij eens over teamgenoot Yge Visser: "Visser geniet achter het bord, Hoeksema lijdt." Visser speelt altijd met een enorme zonnebril op, volgens Annelies omdat hij te veel drinkten daarom niet zoveel licht aan zijn ogen kan verdragen, en om te zorgen dat de tegenstander zijn ogen niet kan zien. Of hij geniet of lijdt is dus niet aan zijn ogen te zien, maar die keer dat ik hem serieus zag spelen zag hij er buiten zijn ogen om wel gelukkig uit. Dit is overigens een tamelijk apocrief verhaal, dat citaat van Hoeksema, het kan maarzo dat ik het zelf verzonnen heb om een voobeeld te hebben. Meestal vind ik mijzelf in 'Hoeksema', niet omdat ik dat zo graag wil maar omdat het nu eenmaal bij schaken hoort, en omdat ik nu eenmaal schaak. Sommige dingen verander je niet zomaar. Gelukkig kan ik sinds twee maand weer schaken alsof er echt iets op het spel staat, alsof het een zaak van leven of dood is. Dat resulteerde in een prima score van 3 uit 4. Het is dan jammer om dan niet te gaan.
Ik vertrok met Dvorak's Stabat Mater in mijn hoofd, een stuk waarin Maria's weeklagen voor het kruis van Jezus vertolkt wordt in een muziek die de ene keer langzame, diepe groeven in je ziel trekt, afgewisseld met heftige passages waarin Christus' lijden in al zijn hevigheid op je af stormt. Uitstekende muziek om op te schaken, ik ben benieuwd of Hoeksema er wel eens van gehoord heeft.
Vlak nadat ik buiten was begon het te stortregenen, met steeds korte tussenpozen waarin het bijna droog was. Ik reed dus steeds zo snel mogelijk van schuilplaats naar schuilplaats, gelukkig zijn er langs het Damsterdiep, de Steentilstraat en de Rademarkt overal afdakjes. Desondanks arriveerde ik met een doorweekte jas en hoed op de club.
Zoals ik al enigszins verwachtte moest ik spelen met Ti de Jong, met wie ik de tweede plaats in de derde (en laatste) groep deelde. Er stond dus zeker vanavond iets op het spel. Ik had nog niet vaak tegen Ti gespeeld, bij mijn weten heb ik één keer van haar verloren en de laatste keer verzandden we in een hopeloos toreneindspel, remise dus. Zij zei dat dat een spectaculaire partij was geweest, ik wist alleen nog van het eindspel.
Ik speelde met zwart, wat ik soms een voordeel vind want dan hoef je niet meteen zelf iets verzinnen. Reageren gaat mij vaak beter af, eerst de tegenstander afstoppen, opvangen, onschadelijk maken en dan zelf toeslaan bevalt mij vaak wel.
Ti begon heel standaard met 1 e4, ik antwoorde met c5 zoals ik nogal eens speel de laatste tijd. Je houdt je centrum eerst dicht en probeert het over de flanken.
2 Pf3 Pc6
3 d4 cxd4.
Nemen is misschien theoretisch niet de beste optie, maar ik moest al die regenbuien nog verwerken en zat net aan m'n eerste kop koffie, dus ik had nog niet zo'n zin in heel diep nadenken. Ik verwachtte 4 Pxd4, waarna er iets komt wat ik redelijk in mijn hoofd heb.
Ti besloot er een pion tegen aan te gooien en daarna haar andere paard te ontwikkelen.
4 c3
Slaan ligt voor de hand, maar dat heeft mij tegen Serier in de goeie ouwe tijd een aantal nederlagen opgeleverd omdat je dan alleen maar met je pion bezig bent terwijl de witspeler allerlei stukken ontwikkeld en open lijnen krijgt. Dus
4 .... d6. Ontwikkelen, niks van je tegenstander aantrekken en een lekker stootkussentje neerleggen.
5 Lc4 Pf6 Dreiging op de e-pion. Wit moet nu een antwoord verzinnen.
6 D d3 g6. Loperlijn open gooien.
Hier merkte ik dat ik mijn hoofd er nog steeds niet zo bij had, mijn notatieformulier was een zootje want alle zetten van wit en zwart stonden verkeerd om genoteerd. Eerst maar een nieuw blaadje gepakt en alles opnieuw opgeschreven.
7 cxd4 Lg7 Wit creëert twee sterke centrumpionnen, maar één en ander komt ook wel een beetje open te liggen. Tot nu toe theoretisch verantwoord.
8 Pc3 0-0
9 0-0 a6. Tegen allerlei binnenkomende lichte stukken.
10 a3 (zelfde idee) b5. Proberen de witte loper terug te dringen, en ruimte voor mijn eigen loper op wit creëeren. Met enige mazzel valt er iets te rotzooien op de damevleugel van Ti.
11 La2. Het is een sterke loper en daar moet je zuinig op zijn. Hij staat nu wel erg aan de zijkant geparkeerd.
....Db6. Misschien theoretisch al wat minder verantwoord, maar ik wilde de druk op de e-pion verhogen.
12 Le3 Pg4
In de hoop de loper op e3 te kunnen ruilen. Paarden zijn niet mijn sterkste kant. Ik was ondertussen aardig wat tijd aan het verbruiken, het was tot nu toe een stelling waar alles veel vanzelfsprekender was voor wit dan voor zwart.
13 Pd5. Een erg vervelend paard komt nu zomaar mijn centrum binnen, er dreigen wat vorkjes en mijn dame moet terug. Omdat ik die dreiging naar e5 erg spannend vind moet dan maar het onverantwoordelijke
..... Da7
14 Tc1. Terecht bezet wit met de toren de openliggende c-lijn. Is van later zorg. Ik kan nu mijn loper nemen, tegen een paard.
..... Pxe3
15 fxe3 Ld7. Mijn paard stond daar ongedekt. Deze zet kostte me nogal wat tijd. Ti ruikt iets en gooit de zetten er achter elkaar uit, terwijl bij mij zowel op het bord als in mijn hoofd alles kraakt.
16 Ph4. Wit heeft nu een behoorlijk sterk centrum, met name die twee pionnen op de vierde rij lijken ongenaakbaar. Bovendien wordt mijn e-pion ernstig bedreigd door het paard op d5, mijn paard op c5 door de toren en ligt de f-lijn open voor wits andere toren.
.... e6. Eerst dat paard wegjagen.
17 Pf6, met schaak. Hier had ik totaal niet op gerekend. Ik vermoed dat wit hier iets wil gaan offeren, dan wat lijnen open gooien en dan met de hele boel naar binnen denderen. Mijn vader mijn vader, wagens en ruiters van Israël.
... Kh8. Geen keus.
18 Tf3 Het wordt aardig benauwd.
..... b4. Ik probeer wat te rommelen, er zit eventueel een vorkje in en anders misschien ruimte voor mijn witte loper om de dame te bedreigen.
19 Df1. Ti gokt er op om met een paardoffer hierna of nog later alles in één keer via de f-lijn open te krijgen. Wits stukken zijn echter inmiddels erg verspreid geraakt, en daar ben ik mij iets meer van bewust dan Ti. Tegelijk hebben ze wel alle ruimte om van alle kanten op mijn stelling te beuken.
Maar nog steeds staan mijn Dame, mijn zwarte loper op de diagonaal en mijn paard op de pion op d4 te stampen, met daarachter wits koning op g1 en een ongedekte pion op b2. Als ik daar achter kom met mijn dame, vallen er twee pionnen, wordt de loper op a2 zwaar aangevallen en moet wits Dame twee torens tegelijk dekken. De enige mogelijkheid om dit te bereiken is mijn paard te offeren, of te ruilen tegen twee of drie pionnen. Ik neem er maar eens uitgebreid de tijd voor, een half uur bijna. Lang geleden dat ik zo lang heb zitten rekenen of het echt kon, en jawel, het is toch de dood of de gladiolen. Je zit daar per slot ook nog een beetje voor je lol, er mag best eens met stukken gesmeten worden.
19 ... Pxd4. Ik zag Judith en Dimitri buiten staan roken en kreeg opeens een enorme zin om even af te koelen en in een sigaret om mijn zenuwen in bedwang te houden.
'Een van ons gaat spectaculair ten onder', zei ik tegen Ti en ging naar buiten.
Daar bietste ik een sigaret van Dimitri, in de verwachting dat Ti toch ook wel een keer lang zou nadenken. De klok kon ik van buiten zien, het bord niet omdat de klok daar voor stond. Dit omdat ik stijf links ben en de klok altijd aan mijn linkerhand zet. Volgende keer toch maar eens andersom proberen, zodat ik buiten alvast over mijn volgende zet kan nadenken. Ti deed halverwege mijn sigaret al een zet, maar aangezien ik bij voorkeur een sigaret tot het uiterste uitrook en om deze had moeten zeuren, besloot ik rustig aan te doen. Afgelopen zondag had ik van mijn oude leermeester oom Henk nog maar eens geleerd hoe belangrijk de psychologie bij het schaken is, dus deed ik maar alsof alles onder controle had.
Toen ik naar binnen ging bleek Ti alles volgens plan te spelen.
20 exd4, en na twee seconden nadenken
.... Dxd4 schaak.
21 K h8 Lxf6
22 Txf6 Dxb2 . Drie zetten in nog geen 15 seconden. Opeens staat alles bij wit te wankelen en Ti begon heel wanhopig te kijken.
23 Lb1, weinig keus. Hier moest ik toch even nadenken over de juiste voortzetting, en opeens zag ik niet zomaar het licht, het was het schijnsel van een half engelenkoor dat zich openbaarde.
.... Ld5. Op dat moment denderde dat uitzinnige Amen uit Rossini's Stabat Mater mijn hoofd binnen, en op het moment van schrijven jubelt het er nog steeds rond. De witte dame houdt twee torens tegelijk gedekt, maar moet één van de twee lijnen opgeven om het eigen vege lijf te redden.
24 De1. Dxf6. Witte toren weg, Ti had de ramp nog niet eens gezien.
Plotseling sta ik een toren tegen een paard voor plus drie pionnen.
25 axb4, twee pionnen dus.
.... Ta-c8
26 Td1 Tf-d8
27 Pf3 Df4
28 Pd2-La4
29 g3 Dg5
Voor wit is het spreekwoordelijke spartelen begonnen, in de hoop de tegenstander nog een fout te ontlokken. Bij mij lukt dat ook bijna altijd wel, maar zo goed kon Ti mij niet kennen. De witte toren moet weg, en daardoor kan ik wat materiaal gaan afruilen.
30 Tc1 Txc1
31 Dxc1 d5
32 Db2 KG8 Dit schaakje toelaten is zo'n slordigheidje wat je zomaar een zekere overwinning kan kosten. Deze keer viel de schade mee. Hier merk ik ook dat mijn notatie weer niet klopt, zodat ik niet meer exact kan nagaan hoe het verdere verloop was, misschien in de reconstructie. In ieder geval verliep de rest zeer voorspoedig, ik kon de stukken van Ti één voor één van het bord halen en na een zet of vijfenveertig gaf ze de strijd op.
Voor ik met schrijven begon had ik een mooie moraal in mijn hoofd, anders ga ik geen stukje schrijven over een schaakpartij , maar die ben ik vergeten. Ik voelde mij een beetje Yge Visser vanavond, en dat is ook wel eens fijn.
Ik vertrok met Dvorak's Stabat Mater in mijn hoofd, een stuk waarin Maria's weeklagen voor het kruis van Jezus vertolkt wordt in een muziek die de ene keer langzame, diepe groeven in je ziel trekt, afgewisseld met heftige passages waarin Christus' lijden in al zijn hevigheid op je af stormt. Uitstekende muziek om op te schaken, ik ben benieuwd of Hoeksema er wel eens van gehoord heeft.
Vlak nadat ik buiten was begon het te stortregenen, met steeds korte tussenpozen waarin het bijna droog was. Ik reed dus steeds zo snel mogelijk van schuilplaats naar schuilplaats, gelukkig zijn er langs het Damsterdiep, de Steentilstraat en de Rademarkt overal afdakjes. Desondanks arriveerde ik met een doorweekte jas en hoed op de club.
Zoals ik al enigszins verwachtte moest ik spelen met Ti de Jong, met wie ik de tweede plaats in de derde (en laatste) groep deelde. Er stond dus zeker vanavond iets op het spel. Ik had nog niet vaak tegen Ti gespeeld, bij mijn weten heb ik één keer van haar verloren en de laatste keer verzandden we in een hopeloos toreneindspel, remise dus. Zij zei dat dat een spectaculaire partij was geweest, ik wist alleen nog van het eindspel.
Ik speelde met zwart, wat ik soms een voordeel vind want dan hoef je niet meteen zelf iets verzinnen. Reageren gaat mij vaak beter af, eerst de tegenstander afstoppen, opvangen, onschadelijk maken en dan zelf toeslaan bevalt mij vaak wel.
Ti begon heel standaard met 1 e4, ik antwoorde met c5 zoals ik nogal eens speel de laatste tijd. Je houdt je centrum eerst dicht en probeert het over de flanken.
2 Pf3 Pc6
3 d4 cxd4.
Nemen is misschien theoretisch niet de beste optie, maar ik moest al die regenbuien nog verwerken en zat net aan m'n eerste kop koffie, dus ik had nog niet zo'n zin in heel diep nadenken. Ik verwachtte 4 Pxd4, waarna er iets komt wat ik redelijk in mijn hoofd heb.
Ti besloot er een pion tegen aan te gooien en daarna haar andere paard te ontwikkelen.
4 c3
Slaan ligt voor de hand, maar dat heeft mij tegen Serier in de goeie ouwe tijd een aantal nederlagen opgeleverd omdat je dan alleen maar met je pion bezig bent terwijl de witspeler allerlei stukken ontwikkeld en open lijnen krijgt. Dus
4 .... d6. Ontwikkelen, niks van je tegenstander aantrekken en een lekker stootkussentje neerleggen.
5 Lc4 Pf6 Dreiging op de e-pion. Wit moet nu een antwoord verzinnen.
6 D d3 g6. Loperlijn open gooien.
Hier merkte ik dat ik mijn hoofd er nog steeds niet zo bij had, mijn notatieformulier was een zootje want alle zetten van wit en zwart stonden verkeerd om genoteerd. Eerst maar een nieuw blaadje gepakt en alles opnieuw opgeschreven.
7 cxd4 Lg7 Wit creëert twee sterke centrumpionnen, maar één en ander komt ook wel een beetje open te liggen. Tot nu toe theoretisch verantwoord.
8 Pc3 0-0
9 0-0 a6. Tegen allerlei binnenkomende lichte stukken.
10 a3 (zelfde idee) b5. Proberen de witte loper terug te dringen, en ruimte voor mijn eigen loper op wit creëeren. Met enige mazzel valt er iets te rotzooien op de damevleugel van Ti.
11 La2. Het is een sterke loper en daar moet je zuinig op zijn. Hij staat nu wel erg aan de zijkant geparkeerd.
....Db6. Misschien theoretisch al wat minder verantwoord, maar ik wilde de druk op de e-pion verhogen.
12 Le3 Pg4
In de hoop de loper op e3 te kunnen ruilen. Paarden zijn niet mijn sterkste kant. Ik was ondertussen aardig wat tijd aan het verbruiken, het was tot nu toe een stelling waar alles veel vanzelfsprekender was voor wit dan voor zwart.
13 Pd5. Een erg vervelend paard komt nu zomaar mijn centrum binnen, er dreigen wat vorkjes en mijn dame moet terug. Omdat ik die dreiging naar e5 erg spannend vind moet dan maar het onverantwoordelijke
..... Da7
14 Tc1. Terecht bezet wit met de toren de openliggende c-lijn. Is van later zorg. Ik kan nu mijn loper nemen, tegen een paard.
..... Pxe3
15 fxe3 Ld7. Mijn paard stond daar ongedekt. Deze zet kostte me nogal wat tijd. Ti ruikt iets en gooit de zetten er achter elkaar uit, terwijl bij mij zowel op het bord als in mijn hoofd alles kraakt.
16 Ph4. Wit heeft nu een behoorlijk sterk centrum, met name die twee pionnen op de vierde rij lijken ongenaakbaar. Bovendien wordt mijn e-pion ernstig bedreigd door het paard op d5, mijn paard op c5 door de toren en ligt de f-lijn open voor wits andere toren.
.... e6. Eerst dat paard wegjagen.
17 Pf6, met schaak. Hier had ik totaal niet op gerekend. Ik vermoed dat wit hier iets wil gaan offeren, dan wat lijnen open gooien en dan met de hele boel naar binnen denderen. Mijn vader mijn vader, wagens en ruiters van Israël.
... Kh8. Geen keus.
18 Tf3 Het wordt aardig benauwd.
..... b4. Ik probeer wat te rommelen, er zit eventueel een vorkje in en anders misschien ruimte voor mijn witte loper om de dame te bedreigen.
19 Df1. Ti gokt er op om met een paardoffer hierna of nog later alles in één keer via de f-lijn open te krijgen. Wits stukken zijn echter inmiddels erg verspreid geraakt, en daar ben ik mij iets meer van bewust dan Ti. Tegelijk hebben ze wel alle ruimte om van alle kanten op mijn stelling te beuken.
Maar nog steeds staan mijn Dame, mijn zwarte loper op de diagonaal en mijn paard op de pion op d4 te stampen, met daarachter wits koning op g1 en een ongedekte pion op b2. Als ik daar achter kom met mijn dame, vallen er twee pionnen, wordt de loper op a2 zwaar aangevallen en moet wits Dame twee torens tegelijk dekken. De enige mogelijkheid om dit te bereiken is mijn paard te offeren, of te ruilen tegen twee of drie pionnen. Ik neem er maar eens uitgebreid de tijd voor, een half uur bijna. Lang geleden dat ik zo lang heb zitten rekenen of het echt kon, en jawel, het is toch de dood of de gladiolen. Je zit daar per slot ook nog een beetje voor je lol, er mag best eens met stukken gesmeten worden.
19 ... Pxd4. Ik zag Judith en Dimitri buiten staan roken en kreeg opeens een enorme zin om even af te koelen en in een sigaret om mijn zenuwen in bedwang te houden.
'Een van ons gaat spectaculair ten onder', zei ik tegen Ti en ging naar buiten.
Daar bietste ik een sigaret van Dimitri, in de verwachting dat Ti toch ook wel een keer lang zou nadenken. De klok kon ik van buiten zien, het bord niet omdat de klok daar voor stond. Dit omdat ik stijf links ben en de klok altijd aan mijn linkerhand zet. Volgende keer toch maar eens andersom proberen, zodat ik buiten alvast over mijn volgende zet kan nadenken. Ti deed halverwege mijn sigaret al een zet, maar aangezien ik bij voorkeur een sigaret tot het uiterste uitrook en om deze had moeten zeuren, besloot ik rustig aan te doen. Afgelopen zondag had ik van mijn oude leermeester oom Henk nog maar eens geleerd hoe belangrijk de psychologie bij het schaken is, dus deed ik maar alsof alles onder controle had.
Toen ik naar binnen ging bleek Ti alles volgens plan te spelen.
20 exd4, en na twee seconden nadenken
.... Dxd4 schaak.
21 K h8 Lxf6
22 Txf6 Dxb2 . Drie zetten in nog geen 15 seconden. Opeens staat alles bij wit te wankelen en Ti begon heel wanhopig te kijken.
23 Lb1, weinig keus. Hier moest ik toch even nadenken over de juiste voortzetting, en opeens zag ik niet zomaar het licht, het was het schijnsel van een half engelenkoor dat zich openbaarde.
.... Ld5. Op dat moment denderde dat uitzinnige Amen uit Rossini's Stabat Mater mijn hoofd binnen, en op het moment van schrijven jubelt het er nog steeds rond. De witte dame houdt twee torens tegelijk gedekt, maar moet één van de twee lijnen opgeven om het eigen vege lijf te redden.
24 De1. Dxf6. Witte toren weg, Ti had de ramp nog niet eens gezien.
Plotseling sta ik een toren tegen een paard voor plus drie pionnen.
25 axb4, twee pionnen dus.
.... Ta-c8
26 Td1 Tf-d8
27 Pf3 Df4
28 Pd2-La4
29 g3 Dg5
Voor wit is het spreekwoordelijke spartelen begonnen, in de hoop de tegenstander nog een fout te ontlokken. Bij mij lukt dat ook bijna altijd wel, maar zo goed kon Ti mij niet kennen. De witte toren moet weg, en daardoor kan ik wat materiaal gaan afruilen.
30 Tc1 Txc1
31 Dxc1 d5
32 Db2 KG8 Dit schaakje toelaten is zo'n slordigheidje wat je zomaar een zekere overwinning kan kosten. Deze keer viel de schade mee. Hier merk ik ook dat mijn notatie weer niet klopt, zodat ik niet meer exact kan nagaan hoe het verdere verloop was, misschien in de reconstructie. In ieder geval verliep de rest zeer voorspoedig, ik kon de stukken van Ti één voor één van het bord halen en na een zet of vijfenveertig gaf ze de strijd op.
Voor ik met schrijven begon had ik een mooie moraal in mijn hoofd, anders ga ik geen stukje schrijven over een schaakpartij , maar die ben ik vergeten. Ik voelde mij een beetje Yge Visser vanavond, en dat is ook wel eens fijn.
donderdag 3 mei 2007
Houwerzijl
Tussen al dit getheoretiseer door (zie mijn voorgaande blogs) was ik ook nog op vakantie, met Klaas Jan van der Ploeg, in Houwerzijl. Dat ligt in de buurt van het Lauwersmeer. We logeerden in het Bed & Breakfeast van Loes (www.hartensiel.nl). Loes heeft een drukke baan in Amsterdam en in de weekeinden en in vakantietijd verzorgt ze ter ontspanning graag gasten. Ik zou ook niet weten hoe zij een vakantie door zou moeten komen, ik geloof dat ik haar in drie dagen welgeteld één keer heb zien zitten.
Ik had een enorme stapel boeken meegesjouwd in de veronderstelling dat er hoogstwaarschijnlijk niets te beleven zou zijn daar. Uiteindelijk heb ik misschien een pagina of dertig gelezen. Voor de rest de hele tijd bezig geweest met het verkennen van het terrein in en rond Houwerzijl, wat weer voldoende aanleiding geeft om mijn grafomane neigingen te botvieren op, ja, op wie eigenlijk, leest er eigenlijk wel iemand vraag ik me dan af.
We deden dinsdag eerst een fietstocht tot aan Vierhuizen, waar het kerkje staat dat een miljoen won voor restauratie. We zagen voornamelijk weiland, koeien, dijken, mooie dorpjes maar de zee lag helaas te ver voor mijn accu's.
's Middags dronken we thee bij Hans Fidom, musicoloog, kunstliefhebber, initiatiefnemer van allerlei toestanden die met orgels te maken hebben en mijn werkgever bij Timbres. (www.orgelpark.nl). Klaas Jan vertelde ondertussen aan iedereen die het horen wilde en die het niet horen wilde over zijn portofoons, die heel handig zijn om te communiceren als je meer dan tien meter en minder dan twee kilometer bij elkaar uit de buurt bent. Hij heeft ze op marktplaats gevonden, zes stuks, en probeert iedeeen er nu van te overtuigen ook zo'n setje aan te schaffen. Hans vond het wel grappig en wist hoe het zat met ampere's en verbruik.
Sebastiaan Top kwam intussen ook langs, met de motor. Na het theedrinken informeerde ik nog even naar de vergoeding die ik te goed had voor een artikel, waarbij mijn loon meteen verdrievoudigd werd.
We hadden een geweldig diner, en 's avonds reed John, Loes' echtgenoot, ons rond in het Lauwersmeergebied. Het ontijt was ook weer voortreffelijk. Eigenlijk ontbijt ik nooit, ik hou daar helemaal niet van en vind het te veel werk in de vroege ochtend als ik nog helemaal niet wakker ben. Maar als je bij Loes begint met ontbijten stop je ook niet weer. Het lukte me alleen niet om wakker te worden die dag, had te lang met Van der Ploeg liggen praten denk ik.
We bezochten daarop het Theemuseum, gevestigd in de voormalig Gereformeerde kerk. Het is me niet duidelijk geworden of het nu de Vrijgemaakt, Synodaal of Christelijk gereformeerde kerk was. Houwerzijl had ooit twee of drie kerken, maar ze zijn allemaal verdwenen.
Het theemuseum stond volgestapeld met theeblikken in alle soorten en maten, Er was een filmpje waarin een vrouw in fraaie, gearticuleerde zinnen vertelde over de geschiedenis van de thee. Op het eind had ze het over de bereiding van thee, eerst fabrieksmatig maar gaandeweg kwamen we steeds dichter bij de keuken en het zelf. Het eindigde met een pleidooi voor het gebruik van aardewerken of porceleinen theepotten. Bovendien is het van essentieel belang de theepot voor te verhitten, dus niet even een bodempje warm water er doorheen klotsen maar echt goed heet maken. Doe je dat niet dan zakt de temperatuur van het water ónder de 85 graden en trekt de thee niet goed. En vooral dus aardewerk of porcelein. Ik zat daar met mijn brakke hoofd in dat verduisterde zaaltje en wist bijna zeker dat ze aan het einde van het filmpje op zachte toon zou zeggen 'als het in uw hart op komt mag u nu naar voren komen en uw hart aan de Heer geven'. Maar dat gebeurde niet en wij verdiepten ons verder in onder meer de medische werking die thee heeft volgens doktor Bontekoe.
Ik had intussen van Klaas Jan een oortje en een microfoontje bij mijn portofoon gekregen, dus zag er half uit als iemand van de security. Na het museum wilden wij eens rondkijken in de winkel voor tweedehands boeken. Het is een florerende zaak, Houwerzijl is een belezen dorp. Het zal niemand verbazen dat er daarom nog nooit een groot schrijver vandaan is gekomen, hoewel de man van de eigenaresse van de boekwinkel gedichten schrijft. We hebben daar zeker een uur rondgehangen en voor bijna zestig euro weggesleept. Maar toen begon het pas.
Ik had namelijk een kudde blaarkoppen ontdekt. Wij gingen naar boer Feitsma en die had wel zin om ons over zijn koeien te vertellen. En over zijn land, en over zijn kinderen, en over zijn visie op de kunst, geschiedenis en de filosofie. Dit laatste nadat Klaas Jan hem had verteld dat ik afgestudeerd historicus en filosoof ben, waarvoor ik mij altijd lichtelijk geneer tegenover mensen die hard werken.
We kregen een rondleiding door het land, per auto, tussen de koeien door. Dat we met de auto gingen kwam omdat er een stier tussen de koeien loopt, reden waarom de Feitsma's zich nooit te voet tussen de koeien begeven. Het is toch wel hoopgevend dat er nog plaatsen zijn waar de kalveren op natuurlijke wijze verwekt worden. Vrijwel iedere melkkoe moet het tegenwoordig doen met een koud rietje en de arm van de inseminator in haar gevoelige delen, in plaats van een lekkere stier die zich voor zijn en haar genoegen uitslooft op haar achterwerk. Feitsma vond de portofoons wel interessant maar zag de meerwaarde niet zo want ze hadden al mobiele telefoons.
Daarna had Loes het eten klaar en zat mijn vakantie er alweer op.
Ik had een enorme stapel boeken meegesjouwd in de veronderstelling dat er hoogstwaarschijnlijk niets te beleven zou zijn daar. Uiteindelijk heb ik misschien een pagina of dertig gelezen. Voor de rest de hele tijd bezig geweest met het verkennen van het terrein in en rond Houwerzijl, wat weer voldoende aanleiding geeft om mijn grafomane neigingen te botvieren op, ja, op wie eigenlijk, leest er eigenlijk wel iemand vraag ik me dan af.
We deden dinsdag eerst een fietstocht tot aan Vierhuizen, waar het kerkje staat dat een miljoen won voor restauratie. We zagen voornamelijk weiland, koeien, dijken, mooie dorpjes maar de zee lag helaas te ver voor mijn accu's.
's Middags dronken we thee bij Hans Fidom, musicoloog, kunstliefhebber, initiatiefnemer van allerlei toestanden die met orgels te maken hebben en mijn werkgever bij Timbres. (www.orgelpark.nl). Klaas Jan vertelde ondertussen aan iedereen die het horen wilde en die het niet horen wilde over zijn portofoons, die heel handig zijn om te communiceren als je meer dan tien meter en minder dan twee kilometer bij elkaar uit de buurt bent. Hij heeft ze op marktplaats gevonden, zes stuks, en probeert iedeeen er nu van te overtuigen ook zo'n setje aan te schaffen. Hans vond het wel grappig en wist hoe het zat met ampere's en verbruik.
Sebastiaan Top kwam intussen ook langs, met de motor. Na het theedrinken informeerde ik nog even naar de vergoeding die ik te goed had voor een artikel, waarbij mijn loon meteen verdrievoudigd werd.
We hadden een geweldig diner, en 's avonds reed John, Loes' echtgenoot, ons rond in het Lauwersmeergebied. Het ontijt was ook weer voortreffelijk. Eigenlijk ontbijt ik nooit, ik hou daar helemaal niet van en vind het te veel werk in de vroege ochtend als ik nog helemaal niet wakker ben. Maar als je bij Loes begint met ontbijten stop je ook niet weer. Het lukte me alleen niet om wakker te worden die dag, had te lang met Van der Ploeg liggen praten denk ik.
We bezochten daarop het Theemuseum, gevestigd in de voormalig Gereformeerde kerk. Het is me niet duidelijk geworden of het nu de Vrijgemaakt, Synodaal of Christelijk gereformeerde kerk was. Houwerzijl had ooit twee of drie kerken, maar ze zijn allemaal verdwenen.
Het theemuseum stond volgestapeld met theeblikken in alle soorten en maten, Er was een filmpje waarin een vrouw in fraaie, gearticuleerde zinnen vertelde over de geschiedenis van de thee. Op het eind had ze het over de bereiding van thee, eerst fabrieksmatig maar gaandeweg kwamen we steeds dichter bij de keuken en het zelf. Het eindigde met een pleidooi voor het gebruik van aardewerken of porceleinen theepotten. Bovendien is het van essentieel belang de theepot voor te verhitten, dus niet even een bodempje warm water er doorheen klotsen maar echt goed heet maken. Doe je dat niet dan zakt de temperatuur van het water ónder de 85 graden en trekt de thee niet goed. En vooral dus aardewerk of porcelein. Ik zat daar met mijn brakke hoofd in dat verduisterde zaaltje en wist bijna zeker dat ze aan het einde van het filmpje op zachte toon zou zeggen 'als het in uw hart op komt mag u nu naar voren komen en uw hart aan de Heer geven'. Maar dat gebeurde niet en wij verdiepten ons verder in onder meer de medische werking die thee heeft volgens doktor Bontekoe.
Ik had intussen van Klaas Jan een oortje en een microfoontje bij mijn portofoon gekregen, dus zag er half uit als iemand van de security. Na het museum wilden wij eens rondkijken in de winkel voor tweedehands boeken. Het is een florerende zaak, Houwerzijl is een belezen dorp. Het zal niemand verbazen dat er daarom nog nooit een groot schrijver vandaan is gekomen, hoewel de man van de eigenaresse van de boekwinkel gedichten schrijft. We hebben daar zeker een uur rondgehangen en voor bijna zestig euro weggesleept. Maar toen begon het pas.
Ik had namelijk een kudde blaarkoppen ontdekt. Wij gingen naar boer Feitsma en die had wel zin om ons over zijn koeien te vertellen. En over zijn land, en over zijn kinderen, en over zijn visie op de kunst, geschiedenis en de filosofie. Dit laatste nadat Klaas Jan hem had verteld dat ik afgestudeerd historicus en filosoof ben, waarvoor ik mij altijd lichtelijk geneer tegenover mensen die hard werken.
We kregen een rondleiding door het land, per auto, tussen de koeien door. Dat we met de auto gingen kwam omdat er een stier tussen de koeien loopt, reden waarom de Feitsma's zich nooit te voet tussen de koeien begeven. Het is toch wel hoopgevend dat er nog plaatsen zijn waar de kalveren op natuurlijke wijze verwekt worden. Vrijwel iedere melkkoe moet het tegenwoordig doen met een koud rietje en de arm van de inseminator in haar gevoelige delen, in plaats van een lekkere stier die zich voor zijn en haar genoegen uitslooft op haar achterwerk. Feitsma vond de portofoons wel interessant maar zag de meerwaarde niet zo want ze hadden al mobiele telefoons.
Daarna had Loes het eten klaar en zat mijn vakantie er alweer op.
De zonde van het bloggen (II)
In de rede die Ohran Pamuk hield nadat hij de Nobelprijs voor de literatuur had gekregen, heeft hij het indirect ook over grafomanie. Wat is een schrijver, is de vraag waarop Pamuk een antwoord probeert te formuleren. "A writer is someone who spends years patiently trying to discover the second being inside him, and the world that makes him who he is: when I speak of writing, what comes first to my mind is not a novel, a poem, or literary tradition, it is a person who shuts himself up in a room, sits down at a table, and alone, turns inward; amid its shadows, he builds a new world with words." Een schrijver gaat op zoek naar zijn diepste ervaringen of de uiterst persoonlijke kern van zijn observaties, breekt deze af in hele kleine deeltjes en bouwt ze weer op tot een esthetisch bouwwerk van taal dat ook voor de lezer inzichtelijk is. Daaraan herken je Kundera's grafomanen. Ze slaan de stappen van afbreken en weer opbouwen over, en proberen hun ervaringen in een heel directe taal de wereld in te slingeren. De ervaring die ze willen delen gaat daardoor meestal verloren in groteske superlatieven, bedoeld om grootse emoties en gevoelens uit te drukken. Pamuk vervolgt: "The writer's secret is not inspiration – for it is never clear where it comes from – it is his stubbornness, his patience." Tot zover een paar open deuren. Anders wordt het wanneer hij op een punt komt die voor schrijvers tamelijk vervelend is. Er komt werk bij kijken, veel werk. "But once we shut ourselves away, we soon discover that we are not as alone as we thought. "We are in the company of the words of those who came before us, of other people's stories, other people's books, other people's words, the thing we call tradition." Volgens Pamuk is schrijven weinig meer dan herkauwen op wat al door anderen afgegraasd is, en hopen op een klein stukje groen gras. Schrijven begint met lezen, en is vervolgens herschikken van wat al eens gezegd of geschreven is. Hoogeprezen noties als vrije expressie en originaliteit lijken mij daarom vooral voorbodes van een hopeloze eenvormigheid, omdat het nu eenmaal in ons zit dat we elkaar nadoen. Veelkleurigheid ontstaat niet door een nieuwe kleur te verzinnen, maar door je te verdiepen in de kleuren die er eerder waren dan wijzelf. Kundera hoeft zich daarom niet bedreigd te voelen door zijn grafomanen. Wie zich niet verdiept in wat hem voor ging zal ook zelden iets origineels produceren, en wie niet iets origineels produceert wordt snel vergeten. Dat is dan misschien weer een stukje winst van deze tijd.
Stalker
Gisteren was ik met Elizabeth naar de film 'Stalker', van de Russische regisseur Andrej Tarkovski, gemaakt in 1979. Het was voor het eerst dat ik met Elizabeth naar de film was. Ze is nu 23 jaar mijn zusje, maar ik had eigenlijk geen idee wat voor voorkeuren ze heeft op dat gebied. Eigenlijk heb ik dat nog steeds niet, ze viel namelijk bijna in slaap tijdens de film. Was ook niet vreemd, ze was vanaf half zeven 's ochtends aan het stagelopen geweest en de film duurde van 21.15 tot een eind na twaalf uur. Dat was dan inclusief de inleiding van de bekende hoogleraar psychologie Douwe Draaisma. Tarkovski was een nogal eigenzinnige regisseur. Stalker was de derde film van hem die ik zag. Zijn films zijn allemaal ongelofelijk traag, wat wel mooi aansluit bij mijn eigen levensstijl. Vaak heb je het idee dat je in een schilderij of een foto zit te kijken bij een beeld. Allerlei details kruipen aan je voorbij.
Tarkovski omschrijft zijn methode als poëtisch filmen.
Stalker gaat over en kamer in een verboden gebied waarin je allerdiepste wensen worden vervuld. De hoofdpersoon is Stalker, wat hier iets betekent als wandelaar of zwerver. Hij gidst mensen naar de kamer. Deze keer is hij op stap met een wetenschapper en een schrijver. In het gebied, de zone genoemd, maakt het nogal uit hoe je je gedraagt, anders keert de zone zich tegen je. Degenen die dat overkomt overleven het meestal niet, is het verhaal van de Stalker. De schrijver en de wetenschapper trekken zich er vaak niets van aan maar komen toch door het gebied bij de kamer.
Onderweg voeren ze gesprekken en maken ze ruzie waarom je wel of niet de kamer in moet gaan, of dit wel of niet goed voor de mensheid is en of je überhaupt je diepste wensen wel kunt kennen. De voorganger van Stalker pleegde zelfmoord omdat zijn diepste wens iets heel anders bleek te zijn dan hij dacht. Als ze de kamer hebben bereikt moeten ze een besluit nemen. De gesprekken bereiken hier bijna net zo'n professorale zwaarwichtigheid als in Dostojevski's boeken als Misdaad en Straf of Boze Geesten. Gaan ze de kamer binnen of schrikken ze terug voor wat er ten diepste in henzelf leeft?
Maar ondanks al dit filosofische, religieuze, psychologische en literaire geweld mistte Tarkovski volgens mij een detail dat alle discussie overbodig maakt, en wat de heren pas echt tot mens zou hebben gemaakt. De reis naar de kamer verliep door lekkende tunnels, onder watervallen door, ze sliepen met kleren aan op moerasgrond, soms half in het water, en op het eind moesten ze tot hun nek door het smerigste water wat ik ooit gezien heb. Ik vermoed dat ze alle drie slechts één diepste wens hadden, en dat ze er werkelijk alles voor over hadden om die in vervulling te laten gaan: droge kleren.
Tarkovski omschrijft zijn methode als poëtisch filmen.
Stalker gaat over en kamer in een verboden gebied waarin je allerdiepste wensen worden vervuld. De hoofdpersoon is Stalker, wat hier iets betekent als wandelaar of zwerver. Hij gidst mensen naar de kamer. Deze keer is hij op stap met een wetenschapper en een schrijver. In het gebied, de zone genoemd, maakt het nogal uit hoe je je gedraagt, anders keert de zone zich tegen je. Degenen die dat overkomt overleven het meestal niet, is het verhaal van de Stalker. De schrijver en de wetenschapper trekken zich er vaak niets van aan maar komen toch door het gebied bij de kamer.
Onderweg voeren ze gesprekken en maken ze ruzie waarom je wel of niet de kamer in moet gaan, of dit wel of niet goed voor de mensheid is en of je überhaupt je diepste wensen wel kunt kennen. De voorganger van Stalker pleegde zelfmoord omdat zijn diepste wens iets heel anders bleek te zijn dan hij dacht. Als ze de kamer hebben bereikt moeten ze een besluit nemen. De gesprekken bereiken hier bijna net zo'n professorale zwaarwichtigheid als in Dostojevski's boeken als Misdaad en Straf of Boze Geesten. Gaan ze de kamer binnen of schrikken ze terug voor wat er ten diepste in henzelf leeft?
Maar ondanks al dit filosofische, religieuze, psychologische en literaire geweld mistte Tarkovski volgens mij een detail dat alle discussie overbodig maakt, en wat de heren pas echt tot mens zou hebben gemaakt. De reis naar de kamer verliep door lekkende tunnels, onder watervallen door, ze sliepen met kleren aan op moerasgrond, soms half in het water, en op het eind moesten ze tot hun nek door het smerigste water wat ik ooit gezien heb. Ik vermoed dat ze alle drie slechts één diepste wens hadden, en dat ze er werkelijk alles voor over hadden om die in vervulling te laten gaan: droge kleren.
De zonde van het bloggen
Laat ik mij dan voor het eerst eens schuldig maken aan de zonde van het bloggen. Ik noem het zonde, de wereld is al vol genoeg met geoudehoedereer dat werkelijk nergens goed voor is, maar het is ook wel verleidelijk. En als je je dan toch via twee simpele muisclicks een plaats kunt verwerven in de vaart der volken, kan een latent narcist als ik het ook weer niet laten.
Dit is wat Milan Kundera dan grafomanie noemt, vermoed ik. Hij zou zich omdraaien in zijn graf, als hij niet nog leven zou. Als werkelijk iedereen zijn belevenissen zo nodig moet spuien, wie blijft er dan over om het nog te lezen? En leest er nog iemand als iedereen alleen nog bezig zijn eigen hart te luchten? Dat zijn dan de morele bezwaren tegen een blog, en ik kan niet anders zeggen dan dat Kundera gelijk heeft.
Maar goed, ik heb een lekker toetsenbord onder mijn vingers, hoewel ik een type toetsenbord ken dat nog beter is. Als ik daar achter zit of boven hang word ik bevangen door een soort gelukzaligheid die er voor zorgt dat ik niet anders kan dan alleen maar doortikken, doortikken. Helaas voor mij maar gelukkig voor de mensheid heb ik tot op heden dit toetsenbord niet in de detailhandel kunnen vinden. En het lijkt alsof mijn internetverbinding steeds hapert als ik tik, mijn cursor blijft steeds een woord achter, en als ik dan dat woord getikt heb duurt het even en dan verschijnt het in één keer in beeld, compleet met fouten. Maar Kundera heeft gelijk, grafomanie leidt er alleen maar toe dat je maar eindeloos tekst in een overvolle virtuele ruimpte plempt. Ik heb Kundera er nog nooit op kunnen betrappen dat hij geen gelijk heeft overigens, terwijl ik heel veel van hem gelezen heb. Helaas is een groot deel van al die waarheid die hij de wereld in stuurt nogal beroerd opgeschreven, dus je zou hopen en eigenlijk ook van hem verwachten dat hij ook zelf eens conclusies uit zijn prachtige theorieën zou trekken. Oftewel, de helft van zijn boeken schrappen ofzo. Maar als je dat eenmaal geschreven hebt is het er ook. En Kundera is inmiddels wel zover in het schrijversuniversum gestegen dat het voor hem onmogelijk is weer af te dalen. Ik hoop dat ik dergelijke conclusies kan trekken voor ik de hemel bestorm, dus daar wou ik het eerst maar bij laten. In de hoop natuurlijk dat er tenminste één persoon is die dit leest.
Dit is wat Milan Kundera dan grafomanie noemt, vermoed ik. Hij zou zich omdraaien in zijn graf, als hij niet nog leven zou. Als werkelijk iedereen zijn belevenissen zo nodig moet spuien, wie blijft er dan over om het nog te lezen? En leest er nog iemand als iedereen alleen nog bezig zijn eigen hart te luchten? Dat zijn dan de morele bezwaren tegen een blog, en ik kan niet anders zeggen dan dat Kundera gelijk heeft.
Maar goed, ik heb een lekker toetsenbord onder mijn vingers, hoewel ik een type toetsenbord ken dat nog beter is. Als ik daar achter zit of boven hang word ik bevangen door een soort gelukzaligheid die er voor zorgt dat ik niet anders kan dan alleen maar doortikken, doortikken. Helaas voor mij maar gelukkig voor de mensheid heb ik tot op heden dit toetsenbord niet in de detailhandel kunnen vinden. En het lijkt alsof mijn internetverbinding steeds hapert als ik tik, mijn cursor blijft steeds een woord achter, en als ik dan dat woord getikt heb duurt het even en dan verschijnt het in één keer in beeld, compleet met fouten. Maar Kundera heeft gelijk, grafomanie leidt er alleen maar toe dat je maar eindeloos tekst in een overvolle virtuele ruimpte plempt. Ik heb Kundera er nog nooit op kunnen betrappen dat hij geen gelijk heeft overigens, terwijl ik heel veel van hem gelezen heb. Helaas is een groot deel van al die waarheid die hij de wereld in stuurt nogal beroerd opgeschreven, dus je zou hopen en eigenlijk ook van hem verwachten dat hij ook zelf eens conclusies uit zijn prachtige theorieën zou trekken. Oftewel, de helft van zijn boeken schrappen ofzo. Maar als je dat eenmaal geschreven hebt is het er ook. En Kundera is inmiddels wel zover in het schrijversuniversum gestegen dat het voor hem onmogelijk is weer af te dalen. Ik hoop dat ik dergelijke conclusies kan trekken voor ik de hemel bestorm, dus daar wou ik het eerst maar bij laten. In de hoop natuurlijk dat er tenminste één persoon is die dit leest.
Abonneren op:
Posts (Atom)