woensdag 27 juni 2007

Veldslag

Vannacht vocht ik met het leger van Napoleon tegen de Russen.
Eerst dacht ik dat we in de slag bij Borodino zaten, maar de legereenheden waren zo klein dat het wel een andere slag moest zijn. Ik wist niet welke, maar het was één op de weg naar Moskou.
Ik zat in de achterste linies, bij de artillerie. Wij voerden beschietingen uit, terwijl voor ons enkele regimenten op de vijand afgingen. Ik had alle vertrouwen in de goede afloop, want ik ken mijn geschiedenisboeken.
Het was, in 1812, een succesvolle campagne voor het Franse leger tot aan die gigantische veldslag onder de rook van Moskou. Tot op heden is men het niet eens wie daar de overwinnaar was. In ieder geval ging het vanaf dat moment bergafwaarts met het Franse leger, uiteindelijk bleef er vrijwel niets van over.
Met ons gevecht ging het goed, maar op een gegeven moment kwamen de eerste zwaargewonden terug uit de strijd. Er lag iemand op een brancard onder een wit laken met allemaal rode vlekken. Dat was een hele schok, want dat had ik niet verwacht van een veldslag die we zouden winnen.
Plotseling echter kwam een regiment Russische infanterie op ons af. Deze wisten wij met onze kanonnen nog van ons af te houden, er bleef niets van over. Geen bloed, geen doden en kermende gewonden, we zetten onze kanonnen er op en ze verdwenen gewoon.
Maar toen deed de Russische cavalerie een charge, en ze kwamen onze linies binnen denderen. Ze overspoelden onze batterij, we konden niets meer uitrichten. Waar ik het meest van schrok was dat de geschiedenis niet meer klopte. Wíj zouden winnen.
Het eindigde met een man-tegen-man-gevecht. Terwijl ik op de grond lag vond ik een geweer dat iemand verloren had en wilde de bajonet in een Rus steken, maar dat lukte maar half. Toen vond ik een ander geweer, met een langere bajonet. Er kwam een andere Rus op mij af, een dikke man met een zwarte snor in een heel kleurig uniform. Daar verbaasde ik mij nog over, want volgens de meeste boeken zijn Russische soldaten gekleed in grauwbruine uniformen.
Ik mikte heel goed, joeg de bajonet in zijn dikke lijf en hij viel neer. Maar ze waren met teveel en we werden ingemaakt.
De afloop maakte ik niet meer mee want toen werd ik wakker. Ik zweette niet, ik schreeuwde niet, ik had mijn bed niet omgewoeld, ik werd gewoon wakker.
Die laatste Rus leek sprekend op iemand die altijd in de stad rondloopt. Ik ken hem verder niet.

zaterdag 16 juni 2007

En verlos ons van de wielrenverslaggeving

De afgelopen dagen heb ik veel wielrennen gezien. De etappekoers Dauphiné Libéré is aan de gang en het is best spannend. De verslaggeving hierover is echter om te huilen. Het gaat alleen maar over doping. Ik heb me maar eens beklaagd bij de Volkskrantredactie. Geen idee of het geplaatst gaat worden.

Favoriet Alejandro Valverde lost aan het begin van de beklimming van de Mont Ventoux uit het peloton. Donderdag, vierde etappe van de wielerkoers Dauphiné Libéré.
Andere favoriet Alexandre Vinokourov kan halverwege de beruchte berg ook niet meer volgen. Dit tot grote verbazing van iedereen, want Vino had de dag ervoor nog met grote overmacht de tijdrit gewonnen. Christophe Moreau rijdt soeverein naar de dagzege. Het hele klassement staat hiermee op zijn kop. Katsjetsjkin, Vino’s meesterknecht, houdt in het algemeen klassement een minieme voorsprong op Moreau. Alles is weer mogelijk. Zelfs ‘onze’ Rabo-Rus Menchov doet weer mee.
Waar komt de Volkskrant mee de dag na deze prachtige etappe? Het zoveelste verhaal over dopingschandalen. Alsof we dat nog niet wisten. Beseffen redacteuren die zich met wielrennen bezig houden wel dat ze zichzelf overbodig aan het schrijven zijn als wielrenverslaggeving alleen nog over doping gaat in plaats van fietsen? Dat wil toch niemand meer lezen?
In een bijzin staat dat Valverde ziek was. Waarom wordt die man altijd ziek in rondes boven de Pyreneeën? En de favorieten houden zich in. Waarom? De nieuwe gele-truidrager wordt niet eens genoemd. Over de instorting van Vinokourov helemaal niets, behalve dat ‘hij naar de camera lachte’. Waarom lacht hij naar de camera? Ik heb die lach gezien, dat was van een Kazach met kiespijn. Die gaat niet voor zijn lol achteraan rijden, maar waarom dan wel? Dat wil ik weten uit een artikel over wielrennen.

donderdag 14 juni 2007

In de krant

De afgelopen nacht gaf ik mijn fiat aan de definitieve versie van mijn artikel. Het was voor het Nederlands Dagblad en gaat over het leven werk van de Groninger geschiedfilosoof Frank Ankersmit.
Ik was wel tevreden met wat Willem Bouwman, de redacteur, van de eindversie had gemaakt, en ik wilde er vanaf, het had me lang genoeg geduurd. Ik had dat hele boek van Ankersmit gelezen, wat een paar week kostte, heb er enorm van genoten maar voor zo'n artikel is het veel te veel werk. Daarna nog een paar dingen er omheen gelezen en uiteindelijk twee nachten, maandag-dinsdag en dinsdag-woensdag, zitten schrijven. Ewout had nog wat nuttige commentaren die ik er woensdagochtend in verwerkte, en toen de handel opgestuurd.
Aan het eind van de middag stuurde Willem een geredigeerde versie, wat wel een mooi schilderij was geworden. Helaas niet zo mooi als wat Anke ooit van een hoofdstuk van mijn scriptie maakte, maar dat kwam omdat zij alle primaire kleuren gebruikte terwijl Willem het bij rood hield.
Hij had wat nuances verwijderd die ik juist heel belangrijk vond om het onderwerp niet heel simplistisch voor te stellen. En hij had de mooiste zin van het stuk verwijderd, omdat hij hem niet begreep. Die zin bedacht ik pas toen ik al in bed lag en alles nog eens door mijn hoofd begon te spoken. Ik heb er nog een uur van wakker gelegen daarna.
Het was de zin die het af maakte. Het was de tweede helft van een lange zin die zorgde dat het eerste deel in een goed ritme kwam. Nu staat de eerste helft van die lange zin er nog, maar voor mijn gevoel gaapt er na de punt een diepe afgrond. Maar het was ook de zin die maakt dat het hele stuk tot zijn voleinding komt, om het wat Hegeliaans te zeggen. De zin die maakte dat het stuk helemaal van mij was. Maar tegelijk was het een zin die je niet helemaal serieus kunt nemen.
Ik mailde dat ik grotendeels tevreden was, maar dat die nuances die hij er uit had gehaald er toch eigenlijk echt in moesten. Over mijn zin mailde ik dat het eigenlijk een grapje was.
Daarna had ik de theoretische barbecue met de Groninger geschiedfilosofen, onder meer met mijn onderwerp van de afgelopen dagen. Inclusief het terras werd het aardig laat en wazig. Desondanks leek het mij goed om even te kijken of Willem nog had gemaild, en in mijn postbus zat inderdaad de eindversie. Zonder mijn superzin. Ik heb het er maar bij gelaten want ik kon er geen goede argumentatie bij verzinnen.
Nu heb ik spijt dat ik niet gewoon heb gezegd dat hij er in moest. Ik heb nog te veel ontzag voor Willem en andere opdrachtgevers en iedereen waarvan ik denk dat die er wel meer verstand van zal hebben dan ik.
Er is nu hier vlakbij een woest studentenfeest aan de gang. Ze brullen over Carnaval in t Noorden. Van slapen komt voorlopig niet veel vrees ik. Morgen sta ik in de krant.


http://www.artikelenjwtamminga.blogspot.com/
of lees het ND

dinsdag 12 juni 2007

Waarom jWT nog niet dood mag

Vanmiddag werd ik gebeld door Joost de Niet van Algemeen Belang, de overkoepelende organisatie van een aantal regionale uitvaartverzekeringen. Hij deelde mij mee dat ze mij, mocht hiertoe aanleiding bestaan, niet willen begraven,.
Dat zeg ik overigens niet helemaal correct, ze willen mij niet verzekeren voor een uitvaart.
Ik ben op mijn 18e zelfstandig lid geworden van de uitvaartvereniging Ten Post e.o., omdat dat zo hoorde. Daarvoor was ik lid als zijnde onderdeel van de familie Tamminga. Tot nu toe heb ik ieder jaar mijn contributie een half jaar te laat betaald, en ging er van uit dat het wel goed zou komen mocht ik onverwacht overlijden.
Totdat ik een paar weken terug gebeld werd door Algemeen Belang (AB)., waar uitvaartvereniging Ten Post e.o. onderdeel van is. Dat wist ik ook niet. AB was bezig al haar leden bij langs te gaan, omdat veel mensen niets of onvoldoende hebben geregeld voor hun uitvaart. Dit leidt er vaak toe dat de nabestaanden voor de kosten opdraaien.
Ik kreeg bezoek van de heer De Niet. Hij rekende mij voor dat een bescheiden uitvaart ongeveer 8000 euro kost. Uitvaartvereniging Ten Post e.o. betaalt hiervan zo’n 800, de rest moet je zelf betalen of de nabestaanden. Zelf betalen houdt dus in dat je genoeg op je bankrekening moet hebben voor een begrafenis.
De heer De Niet, Joost inmiddels, stelde voor dat ik mij bij zou verzekeren tot ik een bedrag had opgespaard dat voldoende is voor een bescheiden uitvaart. Ik zou dan aantal jaar zo’n 20 euro per maand moeten betalen. Ik kon kiezen of ik mijn premie in tien of twintig jaar wilde opbouwen. Het maakte mij niet zoveel uit dus koos ik voor twintig.
Wel moest hij informeren of ik geaccepteerd zou worden. Iedereen gaat een keer dood, maar ik zou als risicogeval geweigerd kunnen worden. Risicogeval in de zin van dat de kans dat ik dood zou gaan voor ik mijn begrafenis had betaald te groot geacht zou kunnen worden. Joost zei het nog diplomatieker dan ik hier probeer. Hij zou er naar informeren, en bij die mededeling trok hij een luchtig gezicht om te voorkomen dat ik zorgen zou maken.
Vanmiddag belde hij terug. Ze willen me niet begraven, ik vorm een te groot risico. De kans dat ik sterf voor ik heb betaald is te groot.
Ik merkte dat de heer De Niet er tegenop zag mij dit mede te delen. Alle jovialiteit en vrolijkheid van de vorige keer was verdwenen, hij wilde zo snel mogelijk van mij af. Als ik nog vragen had over het advies moest ik de betrokken arts-adviseur maar bellen, hij gaf mij de naam en het nummer stond wel in de informatiemap die hij mij gegeven had. Ik liet hem de mededeling nog even herhalen om het helemaal te begrijpen, wat hij met hoorbare tegenzin deed.
Voorlopig blijf ik dus. Eerst moet ik mijn dood verzekeren.

zondag 3 juni 2007

Burengerucht

Het afgelopen uur, vanaf ongeveer 23.30, was ik getuige van de relatiecrisis van onze nieuwe bovenburen. Niet die van die scooters en die smartlappen, die voorstelden dat we de politie maar moesten bellen als we last hadden van hun feestje, maar die aardige, beschaafde buren.
Het begon ermee dat boven mijn kamer een deur keihard werd dichtgeslagen. Daarna moeten ze een blokje om zijn gelopen, gerend is meer waarschijnlijk, want heel snel daarna stonden ze voor mijn terrasdeur. Dat is minder vreemd dan het klinkt, want hun fietsenschuurtje staat op zo’n vijf meter van mijn kamer.
Hun ruzie bestond er uit dat hij ruim een uur lang tegen haar schreeuwde, en dat zij op twee meter afstand tegen het schuurtje tegenover stond te huilen.
Zijn schreeuwen gebeurde overigens in gearticuleerde volzinnen, waarbij hij steeds een beschaafde toon hield. Retorisch is de buurman heel behoorlijk ontwikkeld. Hij verweet haar kinderachtig gedrag, hij wilde haar helpen met iets in elkaar zetten (ze zijn hun huis nog aan het verbouwen) maar daar reageerde ze niet op zoals het hoort, ze negeerde mensen en hem in het bijzonder, ze moest eens terugdenken aan de situatie waar hij haar uit had gehaald, en waar haar vriendinnen nog in zaten, als hij vreemd was gegaan was haar gedrag begrijpelijk, enzovoorts. ‘Dat is toch geen samenwonen’, riep hij een keer of drie. Zij huilde alleen maar terug, ze lijkt mij best sympathiek.
Ik noem wat losse punten, maar zijn betoog zat echt goed in elkaar. Het ging van heel persoonlijk naar een wat algemenere moraal ten aanzien van regels van fatsoen tussen mensen, tot aan een complete gedragsethiek. Op het hoogtepunt voegde hij haar toe ‘in wat voor maatschappij komen we dan terecht!!!’ Vandaar ging hij weer naar haar en hun situatie. Persoonlijk, algemeen, universeel en dat weer op de persoonlijke situatie betrekken. Er zat ook nog iets in van ellende verlossing dankbaarheid, maar omdat de ellende deels bestond uit het gebrek aan dankbaarheid verzandde hij op dit gebied enigszins in een cirkelredenering. Om dat overtuigend te brengen moet je van goeden huize komen.
Het was als een helemaal geïmproviseerde preek van een predikant die niet zoveel te melden heeft maar dat knap weet te verbergen met heel veel grote woorden.
Af en toe controleerde ik even of ze elkaars lichamelijke integriteit respecteerden, maar op dat gebied deden zich geen incidenten voor. Ze leken juist besloten te hebben om wat afstand te bewaren.
Waarom deze conversatie op die locatie moest worden gevoerd werd mij niet duidelijk. Het lijkt mij wel een duo dat net uit een dorp komt en nog niet door heeft dat in een stad overal mensen zijn. Ook kan ik me goed voorstellen dat ze graag frisse lucht bij hun woordenwisseling wilden.
Na de ruzie gingen ze weer naar hun huis, maar kwamen snel terug om nog wat dingen in het schuurtje te zetten. Ik draaide mij om en wisselde per ongeluk een blik met mijn buurman. Boven is het stil nu. Ik hoop dat ze dit niet te vaak voor mijn raam gaan doen. En in huis ook liever niet. We hebben die andere buren ook al.