Om mijn blik op de wereld te verruimen probeer ik de laatste tijd wel eens een ander biertje uit. Dan haal ik een six-pack bij de supermarkt, vaak Belgische. Laatst had ik een paar keer De Koninck een lekker bovengistend biertje met een Bourgondisch aroma. Prijs en kwaliteit zijn bovendien goed in verhouding.
Zaterdag had ik een pak Bellevue Kriek meegenomen. Op de flesjes zaten rode etiketten met een plaatje van een trosje kersen, maar die had ik in de winkel niet eens gezien.
Maandag legde ik ze in de koelkast, en later op de avond trok ik er één te voorschijn. Ik maakte hem open, gooide de bierdop zoals bij ons gebruikelijk met een brede armzwaai in de schemerlamp, nam een flinke slok en verslikte me gruwelijk, terwijl het bier schuimend uit het flesje spoot.
G*tverd*mme. Dit smaakte niet naar bier, dit was slootwater met een wee-zoetig bijsmaakje. Suikerfabriek met vruchten. Nog smeriger dan die yoghurt met appeltaartsmaak en zelfs echte stukjes appel-kruimel van één of andere toetjesfabrikant. Creatief bedoeld ongetwijfeld, laten we eens gek doen. Bier geschikt gemaakt voor watjes die geen echt bier kunnen verdragen. Niets is meer echt. Alles wordt tegenwoordig maar aangelengd om er de scherpe kantjes vanaf te halen, om de waarheid te verhullen onder een zachte wollen deken van illusies. Iedereen moet aan het bier want dan hoor je er bij, maar dan wel een bier met de smaak en een gevoel van een fruitig en zoetig welbehagen.
‘Vind jij dit lekker?’, vroeg ik aan Dolf. Die kende het niet. Ik zei dat hij ze op mocht drinken als hij ze lekker vond, anders moet ik de komende tijd mensen uitnodigen om mijn biervoorraad op te maken. Hij keek me wat meewarig aan.
‘Dat had je toch wel kunnen zien,’ zei hij, ‘er staan kersen op het etiket.’
Ik vroeg hem wat er dan op zijn flesje stond.
(Had ik al gezien).
‘Hertog Jan’, zei hij.
‘Nou dan’, zei ik, ‘er zit toch ook geen hertog in jouw bier?’
(Had ik al voor de vorige vraag bedacht).
Op dat punt moest hij zich gewonnen geven.
(Was ingecalculeerd).
Ik heb mijn flesje braaf leeg gemaakt. Wij gooien geen bier weg, zelfs niet als het smaakt naar met chemisch afval verontreinigd slootwater en ruikt naar een lijk dat lang in de zon gelegen heeft.
Nu heb ik nog vijf Krieks in de koelkast. De eerste lezers die het wel wat lijkt en die mijn wanhopig zoeken naar zuiverheid niet delen zijn van harte uitgenodigd voor een biertje.
maandag 13 augustus 2007
dinsdag 31 juli 2007
Voor het overige....
Zie voor verhalen, columns, gedichten en ander ongerief www.jwtamminga.blogspot.com en volg van daar de borden
dinsdag 17 juli 2007
Broodje pindakaas
We zijn de Alpen door. Niet allemaal even ongeschonden, sommigen helemaal niet, maar de meesten hebben het overleefd. Ik ook.
Het was een zware koers. Zaterdag was de eerste serieuze bergrit van de Tour de France 2007, de eerste rit waarin de favorieten moesten laten zien wat ze waard zijn. Het had de dag des oordeels moeten worden, maar uiteindelijk viel het mee. Voor de meeste favorieten lijkt niet verliezen belangrijker dan winnen. Alleen Christophe Moreau en Iban Mayo vielen in positieve zin op. Moreau , 36 jaar oud inmiddels, wordt per jaar sterker terwijl Mayo uit de doden is opgestaan. Ooit was hij de gedoodverfde opvolger van Lance Armstrong, maar zodra hij werd genoemd als toekomstige Tourwinnaar leek hij niet meer te kunnen fietsen en werd hij ziek zodra hij bergop moest.
Talo was gekomen om de etappe te kijken, en samen beleefden we een mooie middag.
Zondag keek ik in Ten Post, waar we de verjaardag van Jesse vierden. Het was de dag van Michael Rasmussen, onze nationale knuffeldeen van de Rabobank. Rasmussen kondigt elk jaar aan dat hij op die en die dag, om zus en zo laat hard gaat fietsen om de etappe en de bergtrui te winnen. Daar traint hij een heel jaar voor en op de aangekondigde dag is er niemand die hem bij kan houden. Hij reed soeverein naar de etappeoverwinning en de gele trui. Ik vroeg mij af of hij, gewichtsmaniak als hij is, die trui ook aan zou trekken als hij wist dat de kleur geel zwaarder is dan oranje en blauw.
Omdat ik mijn leven lang al een goede klant ben van de Rabobank, voel ik me sinds zondag ook een beetje geel.
Maandag was de rustdag in de Tour. Het was een lange dag, na twee dagen ingespannen TV kijken viel ik in een enorm gat. Veel renners houden hier ook niet van, omdat na een aantal dagen zware inspanningen een dag rust je vreselijk uit je ritme kan halen. Ik wist die middag niet echt wat ik met mezelf aan moest. Voor het eerst deze Tour keek ik achter elkaar het korte tourjournaal, de uitgebreide samenvatting van de finale van de Copa America (Brazilië-Argentinië, 3-0), het lange tourjournaal dat wegens de rustdag alleen maar uit sfeerreportages en de ellende van Astana bevatte, en later op de avond het leuterprogramma van Mart Smeets.
Dinsdag was dan de laatste Alpenetappe. In de krant las ik dat de uitzending al om half één zou beginnen, tegelijk met de start. Als ik dat eerder had geweten had ik me beter voorbereid. Ik wist dat ik de etappe in m’n eentje moest uitzitten, en iedereen weet, als je in de bergen alleen komt te zitten krijg je het heel moeilijk.
Het werd een zware middag. Met alle dopingaffaires tegenwoordig komt regelmatig de vraag voorbij of je de Tour uit kunt rijden op boterhammen met pindakaas. De idealisten zeggen van wel. De renners van tegenwoordig hebben allemaal getekend dat ze buiten de pindakaas om niks onreglementairs meer gebruiken, anders mochten ze de Tour niet rijden.
Mij interesseert het niet zo. In de Alpen sterven alle renners op hun fiets, met of zonder doping, en dat is de reden dat ik blijf kijken. Sterven en uit de dood herrijzen, dat is waar wielrennen om draait.
En er zijn er wat gestorven deze Tour, en soms weer opgestaan. Dat begon met Klöden, die na een val al een week met een gebarsten staartbeen rond schijnt te rijden. Vlak daarna de torenhoge favoriet Vinokourov. Hij viel in dezelfde etappe als zijn meesterknecht Klöden en heeft sinds die tijd een stuk of dertig hechtingen in zijn knieën en elleboog. Van Vino wordt gezegd dat hij drie of vier of vijf keer kan sterven en op het eind toch gaat winnen. Tot aan de rustdag geloofde iedereen dat ook. Maar vandaag werd hij voor de derde achtereenvolgende keer op een flinke achterstand gereden, en langzamerhand gelooft niemand meer in de Kazachse mythe.
Verder heeft O’Grady al zijn ribben gebroken, viel T-Mobilekopman Rogers in het zicht van de gele trui keihard op zijn schouder en moest huilend afstappen, en zit McEwen alweer thuis omdat hij het bergop dit jaar echt niet meer kon bijhouden.
De mythe komt dit jaar uit Denemarken. Rasmussen rijdt in het geel en moet mannen als Valverde, die in de voorgaande Tours ook altijd ziek werd of van zijn fiets viel, Evans, Moreau en Mayo bij zien te houden. Eigenlijk is hijzelf de enige die er echt in gelooft, maar het lukte wonderwel. Samen met Contador, Popovich, Leipheimer en Sastre richtten ze een enorm slagveld aan, met als voornaamste slachtoffers Menchov, Kachechkin en Vinokourov. Alleen op Valverde verloor Rasmussen tien seconden.
Maar dat bleek pas in de allerlaatste meters, toen ik al viereneenhalf uur had zitten afzien om deze etappe door te komen. Deze dag had ik geen mannetje bij me. Na vandaag zul je mij helemaal niet meer horen over doping. Als het kijken van een volledige etappe al zo’n zware klus is, hoe moet dat dan wel niet zijn als je hem fietsen moet?
Maar het is gelukt, op een broodje pindakaas en twee koppen koffie. Het was afzien in m’n eentje. Gelukkig sms’te Johanneke nog even in de laatste tien kilometer, dan weet je even weer dat je niet helemáál alleen zit.
De komende dagen zijn er voornamelijk vlakke ritten. Als de knechten van Rasmussen hun werk goed doen duurt de Deens-Nederlandse mythe minstens tot de tijdrit van zaterdag, en daarna komen er nieuwe kansen in de Pyreneeën. Morgen neem ik een rustdag, of begin pas in het laatste uur. Ik ga mezelf voor mijn inspanningen belonen met een geel T-shirt, en trek deze aan tot zaterdag. Of nog langer. Parijs is nog ver.
Het was een zware koers. Zaterdag was de eerste serieuze bergrit van de Tour de France 2007, de eerste rit waarin de favorieten moesten laten zien wat ze waard zijn. Het had de dag des oordeels moeten worden, maar uiteindelijk viel het mee. Voor de meeste favorieten lijkt niet verliezen belangrijker dan winnen. Alleen Christophe Moreau en Iban Mayo vielen in positieve zin op. Moreau , 36 jaar oud inmiddels, wordt per jaar sterker terwijl Mayo uit de doden is opgestaan. Ooit was hij de gedoodverfde opvolger van Lance Armstrong, maar zodra hij werd genoemd als toekomstige Tourwinnaar leek hij niet meer te kunnen fietsen en werd hij ziek zodra hij bergop moest.
Talo was gekomen om de etappe te kijken, en samen beleefden we een mooie middag.
Zondag keek ik in Ten Post, waar we de verjaardag van Jesse vierden. Het was de dag van Michael Rasmussen, onze nationale knuffeldeen van de Rabobank. Rasmussen kondigt elk jaar aan dat hij op die en die dag, om zus en zo laat hard gaat fietsen om de etappe en de bergtrui te winnen. Daar traint hij een heel jaar voor en op de aangekondigde dag is er niemand die hem bij kan houden. Hij reed soeverein naar de etappeoverwinning en de gele trui. Ik vroeg mij af of hij, gewichtsmaniak als hij is, die trui ook aan zou trekken als hij wist dat de kleur geel zwaarder is dan oranje en blauw.
Omdat ik mijn leven lang al een goede klant ben van de Rabobank, voel ik me sinds zondag ook een beetje geel.
Maandag was de rustdag in de Tour. Het was een lange dag, na twee dagen ingespannen TV kijken viel ik in een enorm gat. Veel renners houden hier ook niet van, omdat na een aantal dagen zware inspanningen een dag rust je vreselijk uit je ritme kan halen. Ik wist die middag niet echt wat ik met mezelf aan moest. Voor het eerst deze Tour keek ik achter elkaar het korte tourjournaal, de uitgebreide samenvatting van de finale van de Copa America (Brazilië-Argentinië, 3-0), het lange tourjournaal dat wegens de rustdag alleen maar uit sfeerreportages en de ellende van Astana bevatte, en later op de avond het leuterprogramma van Mart Smeets.
Dinsdag was dan de laatste Alpenetappe. In de krant las ik dat de uitzending al om half één zou beginnen, tegelijk met de start. Als ik dat eerder had geweten had ik me beter voorbereid. Ik wist dat ik de etappe in m’n eentje moest uitzitten, en iedereen weet, als je in de bergen alleen komt te zitten krijg je het heel moeilijk.
Het werd een zware middag. Met alle dopingaffaires tegenwoordig komt regelmatig de vraag voorbij of je de Tour uit kunt rijden op boterhammen met pindakaas. De idealisten zeggen van wel. De renners van tegenwoordig hebben allemaal getekend dat ze buiten de pindakaas om niks onreglementairs meer gebruiken, anders mochten ze de Tour niet rijden.
Mij interesseert het niet zo. In de Alpen sterven alle renners op hun fiets, met of zonder doping, en dat is de reden dat ik blijf kijken. Sterven en uit de dood herrijzen, dat is waar wielrennen om draait.
En er zijn er wat gestorven deze Tour, en soms weer opgestaan. Dat begon met Klöden, die na een val al een week met een gebarsten staartbeen rond schijnt te rijden. Vlak daarna de torenhoge favoriet Vinokourov. Hij viel in dezelfde etappe als zijn meesterknecht Klöden en heeft sinds die tijd een stuk of dertig hechtingen in zijn knieën en elleboog. Van Vino wordt gezegd dat hij drie of vier of vijf keer kan sterven en op het eind toch gaat winnen. Tot aan de rustdag geloofde iedereen dat ook. Maar vandaag werd hij voor de derde achtereenvolgende keer op een flinke achterstand gereden, en langzamerhand gelooft niemand meer in de Kazachse mythe.
Verder heeft O’Grady al zijn ribben gebroken, viel T-Mobilekopman Rogers in het zicht van de gele trui keihard op zijn schouder en moest huilend afstappen, en zit McEwen alweer thuis omdat hij het bergop dit jaar echt niet meer kon bijhouden.
De mythe komt dit jaar uit Denemarken. Rasmussen rijdt in het geel en moet mannen als Valverde, die in de voorgaande Tours ook altijd ziek werd of van zijn fiets viel, Evans, Moreau en Mayo bij zien te houden. Eigenlijk is hijzelf de enige die er echt in gelooft, maar het lukte wonderwel. Samen met Contador, Popovich, Leipheimer en Sastre richtten ze een enorm slagveld aan, met als voornaamste slachtoffers Menchov, Kachechkin en Vinokourov. Alleen op Valverde verloor Rasmussen tien seconden.
Maar dat bleek pas in de allerlaatste meters, toen ik al viereneenhalf uur had zitten afzien om deze etappe door te komen. Deze dag had ik geen mannetje bij me. Na vandaag zul je mij helemaal niet meer horen over doping. Als het kijken van een volledige etappe al zo’n zware klus is, hoe moet dat dan wel niet zijn als je hem fietsen moet?
Maar het is gelukt, op een broodje pindakaas en twee koppen koffie. Het was afzien in m’n eentje. Gelukkig sms’te Johanneke nog even in de laatste tien kilometer, dan weet je even weer dat je niet helemáál alleen zit.
De komende dagen zijn er voornamelijk vlakke ritten. Als de knechten van Rasmussen hun werk goed doen duurt de Deens-Nederlandse mythe minstens tot de tijdrit van zaterdag, en daarna komen er nieuwe kansen in de Pyreneeën. Morgen neem ik een rustdag, of begin pas in het laatste uur. Ik ga mezelf voor mijn inspanningen belonen met een geel T-shirt, en trek deze aan tot zaterdag. Of nog langer. Parijs is nog ver.
woensdag 27 juni 2007
Veldslag
Vannacht vocht ik met het leger van Napoleon tegen de Russen.
Eerst dacht ik dat we in de slag bij Borodino zaten, maar de legereenheden waren zo klein dat het wel een andere slag moest zijn. Ik wist niet welke, maar het was één op de weg naar Moskou.
Ik zat in de achterste linies, bij de artillerie. Wij voerden beschietingen uit, terwijl voor ons enkele regimenten op de vijand afgingen. Ik had alle vertrouwen in de goede afloop, want ik ken mijn geschiedenisboeken.
Het was, in 1812, een succesvolle campagne voor het Franse leger tot aan die gigantische veldslag onder de rook van Moskou. Tot op heden is men het niet eens wie daar de overwinnaar was. In ieder geval ging het vanaf dat moment bergafwaarts met het Franse leger, uiteindelijk bleef er vrijwel niets van over.
Met ons gevecht ging het goed, maar op een gegeven moment kwamen de eerste zwaargewonden terug uit de strijd. Er lag iemand op een brancard onder een wit laken met allemaal rode vlekken. Dat was een hele schok, want dat had ik niet verwacht van een veldslag die we zouden winnen.
Plotseling echter kwam een regiment Russische infanterie op ons af. Deze wisten wij met onze kanonnen nog van ons af te houden, er bleef niets van over. Geen bloed, geen doden en kermende gewonden, we zetten onze kanonnen er op en ze verdwenen gewoon.
Maar toen deed de Russische cavalerie een charge, en ze kwamen onze linies binnen denderen. Ze overspoelden onze batterij, we konden niets meer uitrichten. Waar ik het meest van schrok was dat de geschiedenis niet meer klopte. Wíj zouden winnen.
Het eindigde met een man-tegen-man-gevecht. Terwijl ik op de grond lag vond ik een geweer dat iemand verloren had en wilde de bajonet in een Rus steken, maar dat lukte maar half. Toen vond ik een ander geweer, met een langere bajonet. Er kwam een andere Rus op mij af, een dikke man met een zwarte snor in een heel kleurig uniform. Daar verbaasde ik mij nog over, want volgens de meeste boeken zijn Russische soldaten gekleed in grauwbruine uniformen.
Ik mikte heel goed, joeg de bajonet in zijn dikke lijf en hij viel neer. Maar ze waren met teveel en we werden ingemaakt.
De afloop maakte ik niet meer mee want toen werd ik wakker. Ik zweette niet, ik schreeuwde niet, ik had mijn bed niet omgewoeld, ik werd gewoon wakker.
Die laatste Rus leek sprekend op iemand die altijd in de stad rondloopt. Ik ken hem verder niet.
Eerst dacht ik dat we in de slag bij Borodino zaten, maar de legereenheden waren zo klein dat het wel een andere slag moest zijn. Ik wist niet welke, maar het was één op de weg naar Moskou.
Ik zat in de achterste linies, bij de artillerie. Wij voerden beschietingen uit, terwijl voor ons enkele regimenten op de vijand afgingen. Ik had alle vertrouwen in de goede afloop, want ik ken mijn geschiedenisboeken.
Het was, in 1812, een succesvolle campagne voor het Franse leger tot aan die gigantische veldslag onder de rook van Moskou. Tot op heden is men het niet eens wie daar de overwinnaar was. In ieder geval ging het vanaf dat moment bergafwaarts met het Franse leger, uiteindelijk bleef er vrijwel niets van over.
Met ons gevecht ging het goed, maar op een gegeven moment kwamen de eerste zwaargewonden terug uit de strijd. Er lag iemand op een brancard onder een wit laken met allemaal rode vlekken. Dat was een hele schok, want dat had ik niet verwacht van een veldslag die we zouden winnen.
Plotseling echter kwam een regiment Russische infanterie op ons af. Deze wisten wij met onze kanonnen nog van ons af te houden, er bleef niets van over. Geen bloed, geen doden en kermende gewonden, we zetten onze kanonnen er op en ze verdwenen gewoon.
Maar toen deed de Russische cavalerie een charge, en ze kwamen onze linies binnen denderen. Ze overspoelden onze batterij, we konden niets meer uitrichten. Waar ik het meest van schrok was dat de geschiedenis niet meer klopte. Wíj zouden winnen.
Het eindigde met een man-tegen-man-gevecht. Terwijl ik op de grond lag vond ik een geweer dat iemand verloren had en wilde de bajonet in een Rus steken, maar dat lukte maar half. Toen vond ik een ander geweer, met een langere bajonet. Er kwam een andere Rus op mij af, een dikke man met een zwarte snor in een heel kleurig uniform. Daar verbaasde ik mij nog over, want volgens de meeste boeken zijn Russische soldaten gekleed in grauwbruine uniformen.
Ik mikte heel goed, joeg de bajonet in zijn dikke lijf en hij viel neer. Maar ze waren met teveel en we werden ingemaakt.
De afloop maakte ik niet meer mee want toen werd ik wakker. Ik zweette niet, ik schreeuwde niet, ik had mijn bed niet omgewoeld, ik werd gewoon wakker.
Die laatste Rus leek sprekend op iemand die altijd in de stad rondloopt. Ik ken hem verder niet.
zaterdag 16 juni 2007
En verlos ons van de wielrenverslaggeving
De afgelopen dagen heb ik veel wielrennen gezien. De etappekoers Dauphiné Libéré is aan de gang en het is best spannend. De verslaggeving hierover is echter om te huilen. Het gaat alleen maar over doping. Ik heb me maar eens beklaagd bij de Volkskrantredactie. Geen idee of het geplaatst gaat worden.
Favoriet Alejandro Valverde lost aan het begin van de beklimming van de Mont Ventoux uit het peloton. Donderdag, vierde etappe van de wielerkoers Dauphiné Libéré.
Andere favoriet Alexandre Vinokourov kan halverwege de beruchte berg ook niet meer volgen. Dit tot grote verbazing van iedereen, want Vino had de dag ervoor nog met grote overmacht de tijdrit gewonnen. Christophe Moreau rijdt soeverein naar de dagzege. Het hele klassement staat hiermee op zijn kop. Katsjetsjkin, Vino’s meesterknecht, houdt in het algemeen klassement een minieme voorsprong op Moreau. Alles is weer mogelijk. Zelfs ‘onze’ Rabo-Rus Menchov doet weer mee.
Waar komt de Volkskrant mee de dag na deze prachtige etappe? Het zoveelste verhaal over dopingschandalen. Alsof we dat nog niet wisten. Beseffen redacteuren die zich met wielrennen bezig houden wel dat ze zichzelf overbodig aan het schrijven zijn als wielrenverslaggeving alleen nog over doping gaat in plaats van fietsen? Dat wil toch niemand meer lezen?
In een bijzin staat dat Valverde ziek was. Waarom wordt die man altijd ziek in rondes boven de Pyreneeën? En de favorieten houden zich in. Waarom? De nieuwe gele-truidrager wordt niet eens genoemd. Over de instorting van Vinokourov helemaal niets, behalve dat ‘hij naar de camera lachte’. Waarom lacht hij naar de camera? Ik heb die lach gezien, dat was van een Kazach met kiespijn. Die gaat niet voor zijn lol achteraan rijden, maar waarom dan wel? Dat wil ik weten uit een artikel over wielrennen.
Favoriet Alejandro Valverde lost aan het begin van de beklimming van de Mont Ventoux uit het peloton. Donderdag, vierde etappe van de wielerkoers Dauphiné Libéré.
Andere favoriet Alexandre Vinokourov kan halverwege de beruchte berg ook niet meer volgen. Dit tot grote verbazing van iedereen, want Vino had de dag ervoor nog met grote overmacht de tijdrit gewonnen. Christophe Moreau rijdt soeverein naar de dagzege. Het hele klassement staat hiermee op zijn kop. Katsjetsjkin, Vino’s meesterknecht, houdt in het algemeen klassement een minieme voorsprong op Moreau. Alles is weer mogelijk. Zelfs ‘onze’ Rabo-Rus Menchov doet weer mee.
Waar komt de Volkskrant mee de dag na deze prachtige etappe? Het zoveelste verhaal over dopingschandalen. Alsof we dat nog niet wisten. Beseffen redacteuren die zich met wielrennen bezig houden wel dat ze zichzelf overbodig aan het schrijven zijn als wielrenverslaggeving alleen nog over doping gaat in plaats van fietsen? Dat wil toch niemand meer lezen?
In een bijzin staat dat Valverde ziek was. Waarom wordt die man altijd ziek in rondes boven de Pyreneeën? En de favorieten houden zich in. Waarom? De nieuwe gele-truidrager wordt niet eens genoemd. Over de instorting van Vinokourov helemaal niets, behalve dat ‘hij naar de camera lachte’. Waarom lacht hij naar de camera? Ik heb die lach gezien, dat was van een Kazach met kiespijn. Die gaat niet voor zijn lol achteraan rijden, maar waarom dan wel? Dat wil ik weten uit een artikel over wielrennen.
donderdag 14 juni 2007
In de krant
De afgelopen nacht gaf ik mijn fiat aan de definitieve versie van mijn artikel. Het was voor het Nederlands Dagblad en gaat over het leven werk van de Groninger geschiedfilosoof Frank Ankersmit.
Ik was wel tevreden met wat Willem Bouwman, de redacteur, van de eindversie had gemaakt, en ik wilde er vanaf, het had me lang genoeg geduurd. Ik had dat hele boek van Ankersmit gelezen, wat een paar week kostte, heb er enorm van genoten maar voor zo'n artikel is het veel te veel werk. Daarna nog een paar dingen er omheen gelezen en uiteindelijk twee nachten, maandag-dinsdag en dinsdag-woensdag, zitten schrijven. Ewout had nog wat nuttige commentaren die ik er woensdagochtend in verwerkte, en toen de handel opgestuurd.
Aan het eind van de middag stuurde Willem een geredigeerde versie, wat wel een mooi schilderij was geworden. Helaas niet zo mooi als wat Anke ooit van een hoofdstuk van mijn scriptie maakte, maar dat kwam omdat zij alle primaire kleuren gebruikte terwijl Willem het bij rood hield.
Hij had wat nuances verwijderd die ik juist heel belangrijk vond om het onderwerp niet heel simplistisch voor te stellen. En hij had de mooiste zin van het stuk verwijderd, omdat hij hem niet begreep. Die zin bedacht ik pas toen ik al in bed lag en alles nog eens door mijn hoofd begon te spoken. Ik heb er nog een uur van wakker gelegen daarna.
Het was de zin die het af maakte. Het was de tweede helft van een lange zin die zorgde dat het eerste deel in een goed ritme kwam. Nu staat de eerste helft van die lange zin er nog, maar voor mijn gevoel gaapt er na de punt een diepe afgrond. Maar het was ook de zin die maakt dat het hele stuk tot zijn voleinding komt, om het wat Hegeliaans te zeggen. De zin die maakte dat het stuk helemaal van mij was. Maar tegelijk was het een zin die je niet helemaal serieus kunt nemen.
Ik mailde dat ik grotendeels tevreden was, maar dat die nuances die hij er uit had gehaald er toch eigenlijk echt in moesten. Over mijn zin mailde ik dat het eigenlijk een grapje was.
Daarna had ik de theoretische barbecue met de Groninger geschiedfilosofen, onder meer met mijn onderwerp van de afgelopen dagen. Inclusief het terras werd het aardig laat en wazig. Desondanks leek het mij goed om even te kijken of Willem nog had gemaild, en in mijn postbus zat inderdaad de eindversie. Zonder mijn superzin. Ik heb het er maar bij gelaten want ik kon er geen goede argumentatie bij verzinnen.
Nu heb ik spijt dat ik niet gewoon heb gezegd dat hij er in moest. Ik heb nog te veel ontzag voor Willem en andere opdrachtgevers en iedereen waarvan ik denk dat die er wel meer verstand van zal hebben dan ik.
Er is nu hier vlakbij een woest studentenfeest aan de gang. Ze brullen over Carnaval in t Noorden. Van slapen komt voorlopig niet veel vrees ik. Morgen sta ik in de krant.
http://www.artikelenjwtamminga.blogspot.com/
of lees het ND
Ik was wel tevreden met wat Willem Bouwman, de redacteur, van de eindversie had gemaakt, en ik wilde er vanaf, het had me lang genoeg geduurd. Ik had dat hele boek van Ankersmit gelezen, wat een paar week kostte, heb er enorm van genoten maar voor zo'n artikel is het veel te veel werk. Daarna nog een paar dingen er omheen gelezen en uiteindelijk twee nachten, maandag-dinsdag en dinsdag-woensdag, zitten schrijven. Ewout had nog wat nuttige commentaren die ik er woensdagochtend in verwerkte, en toen de handel opgestuurd.
Aan het eind van de middag stuurde Willem een geredigeerde versie, wat wel een mooi schilderij was geworden. Helaas niet zo mooi als wat Anke ooit van een hoofdstuk van mijn scriptie maakte, maar dat kwam omdat zij alle primaire kleuren gebruikte terwijl Willem het bij rood hield.
Hij had wat nuances verwijderd die ik juist heel belangrijk vond om het onderwerp niet heel simplistisch voor te stellen. En hij had de mooiste zin van het stuk verwijderd, omdat hij hem niet begreep. Die zin bedacht ik pas toen ik al in bed lag en alles nog eens door mijn hoofd begon te spoken. Ik heb er nog een uur van wakker gelegen daarna.
Het was de zin die het af maakte. Het was de tweede helft van een lange zin die zorgde dat het eerste deel in een goed ritme kwam. Nu staat de eerste helft van die lange zin er nog, maar voor mijn gevoel gaapt er na de punt een diepe afgrond. Maar het was ook de zin die maakt dat het hele stuk tot zijn voleinding komt, om het wat Hegeliaans te zeggen. De zin die maakte dat het stuk helemaal van mij was. Maar tegelijk was het een zin die je niet helemaal serieus kunt nemen.
Ik mailde dat ik grotendeels tevreden was, maar dat die nuances die hij er uit had gehaald er toch eigenlijk echt in moesten. Over mijn zin mailde ik dat het eigenlijk een grapje was.
Daarna had ik de theoretische barbecue met de Groninger geschiedfilosofen, onder meer met mijn onderwerp van de afgelopen dagen. Inclusief het terras werd het aardig laat en wazig. Desondanks leek het mij goed om even te kijken of Willem nog had gemaild, en in mijn postbus zat inderdaad de eindversie. Zonder mijn superzin. Ik heb het er maar bij gelaten want ik kon er geen goede argumentatie bij verzinnen.
Nu heb ik spijt dat ik niet gewoon heb gezegd dat hij er in moest. Ik heb nog te veel ontzag voor Willem en andere opdrachtgevers en iedereen waarvan ik denk dat die er wel meer verstand van zal hebben dan ik.
Er is nu hier vlakbij een woest studentenfeest aan de gang. Ze brullen over Carnaval in t Noorden. Van slapen komt voorlopig niet veel vrees ik. Morgen sta ik in de krant.
http://www.artikelenjwtamminga.blogspot.com/
of lees het ND
dinsdag 12 juni 2007
Waarom jWT nog niet dood mag
Vanmiddag werd ik gebeld door Joost de Niet van Algemeen Belang, de overkoepelende organisatie van een aantal regionale uitvaartverzekeringen. Hij deelde mij mee dat ze mij, mocht hiertoe aanleiding bestaan, niet willen begraven,.
Dat zeg ik overigens niet helemaal correct, ze willen mij niet verzekeren voor een uitvaart.
Ik ben op mijn 18e zelfstandig lid geworden van de uitvaartvereniging Ten Post e.o., omdat dat zo hoorde. Daarvoor was ik lid als zijnde onderdeel van de familie Tamminga. Tot nu toe heb ik ieder jaar mijn contributie een half jaar te laat betaald, en ging er van uit dat het wel goed zou komen mocht ik onverwacht overlijden.
Totdat ik een paar weken terug gebeld werd door Algemeen Belang (AB)., waar uitvaartvereniging Ten Post e.o. onderdeel van is. Dat wist ik ook niet. AB was bezig al haar leden bij langs te gaan, omdat veel mensen niets of onvoldoende hebben geregeld voor hun uitvaart. Dit leidt er vaak toe dat de nabestaanden voor de kosten opdraaien.
Ik kreeg bezoek van de heer De Niet. Hij rekende mij voor dat een bescheiden uitvaart ongeveer 8000 euro kost. Uitvaartvereniging Ten Post e.o. betaalt hiervan zo’n 800, de rest moet je zelf betalen of de nabestaanden. Zelf betalen houdt dus in dat je genoeg op je bankrekening moet hebben voor een begrafenis.
De heer De Niet, Joost inmiddels, stelde voor dat ik mij bij zou verzekeren tot ik een bedrag had opgespaard dat voldoende is voor een bescheiden uitvaart. Ik zou dan aantal jaar zo’n 20 euro per maand moeten betalen. Ik kon kiezen of ik mijn premie in tien of twintig jaar wilde opbouwen. Het maakte mij niet zoveel uit dus koos ik voor twintig.
Wel moest hij informeren of ik geaccepteerd zou worden. Iedereen gaat een keer dood, maar ik zou als risicogeval geweigerd kunnen worden. Risicogeval in de zin van dat de kans dat ik dood zou gaan voor ik mijn begrafenis had betaald te groot geacht zou kunnen worden. Joost zei het nog diplomatieker dan ik hier probeer. Hij zou er naar informeren, en bij die mededeling trok hij een luchtig gezicht om te voorkomen dat ik zorgen zou maken.
Vanmiddag belde hij terug. Ze willen me niet begraven, ik vorm een te groot risico. De kans dat ik sterf voor ik heb betaald is te groot.
Ik merkte dat de heer De Niet er tegenop zag mij dit mede te delen. Alle jovialiteit en vrolijkheid van de vorige keer was verdwenen, hij wilde zo snel mogelijk van mij af. Als ik nog vragen had over het advies moest ik de betrokken arts-adviseur maar bellen, hij gaf mij de naam en het nummer stond wel in de informatiemap die hij mij gegeven had. Ik liet hem de mededeling nog even herhalen om het helemaal te begrijpen, wat hij met hoorbare tegenzin deed.
Voorlopig blijf ik dus. Eerst moet ik mijn dood verzekeren.
Dat zeg ik overigens niet helemaal correct, ze willen mij niet verzekeren voor een uitvaart.
Ik ben op mijn 18e zelfstandig lid geworden van de uitvaartvereniging Ten Post e.o., omdat dat zo hoorde. Daarvoor was ik lid als zijnde onderdeel van de familie Tamminga. Tot nu toe heb ik ieder jaar mijn contributie een half jaar te laat betaald, en ging er van uit dat het wel goed zou komen mocht ik onverwacht overlijden.
Totdat ik een paar weken terug gebeld werd door Algemeen Belang (AB)., waar uitvaartvereniging Ten Post e.o. onderdeel van is. Dat wist ik ook niet. AB was bezig al haar leden bij langs te gaan, omdat veel mensen niets of onvoldoende hebben geregeld voor hun uitvaart. Dit leidt er vaak toe dat de nabestaanden voor de kosten opdraaien.
Ik kreeg bezoek van de heer De Niet. Hij rekende mij voor dat een bescheiden uitvaart ongeveer 8000 euro kost. Uitvaartvereniging Ten Post e.o. betaalt hiervan zo’n 800, de rest moet je zelf betalen of de nabestaanden. Zelf betalen houdt dus in dat je genoeg op je bankrekening moet hebben voor een begrafenis.
De heer De Niet, Joost inmiddels, stelde voor dat ik mij bij zou verzekeren tot ik een bedrag had opgespaard dat voldoende is voor een bescheiden uitvaart. Ik zou dan aantal jaar zo’n 20 euro per maand moeten betalen. Ik kon kiezen of ik mijn premie in tien of twintig jaar wilde opbouwen. Het maakte mij niet zoveel uit dus koos ik voor twintig.
Wel moest hij informeren of ik geaccepteerd zou worden. Iedereen gaat een keer dood, maar ik zou als risicogeval geweigerd kunnen worden. Risicogeval in de zin van dat de kans dat ik dood zou gaan voor ik mijn begrafenis had betaald te groot geacht zou kunnen worden. Joost zei het nog diplomatieker dan ik hier probeer. Hij zou er naar informeren, en bij die mededeling trok hij een luchtig gezicht om te voorkomen dat ik zorgen zou maken.
Vanmiddag belde hij terug. Ze willen me niet begraven, ik vorm een te groot risico. De kans dat ik sterf voor ik heb betaald is te groot.
Ik merkte dat de heer De Niet er tegenop zag mij dit mede te delen. Alle jovialiteit en vrolijkheid van de vorige keer was verdwenen, hij wilde zo snel mogelijk van mij af. Als ik nog vragen had over het advies moest ik de betrokken arts-adviseur maar bellen, hij gaf mij de naam en het nummer stond wel in de informatiemap die hij mij gegeven had. Ik liet hem de mededeling nog even herhalen om het helemaal te begrijpen, wat hij met hoorbare tegenzin deed.
Voorlopig blijf ik dus. Eerst moet ik mijn dood verzekeren.
Abonneren op:
Posts (Atom)