In het kader van het 100-jarig bestaan van mijn oude basisschool konden we herinneringen insturen voor een eventueel te verschijnen boek. Onderstaand voorval is mij altijd bijgebleven.
In groep 5 zat ik vaak wat mee te luisteren naar de lessen van Meester de Beer aan groep 6. Dat kan ook haast niet anders als je met twee klassen in één lokaal zit. Wekenlang, in mijn beleving misschien wel maanden, hoorde ik een zin voorbijkomen, steeds dezelfde.
"Als ik er bij staat, en jij-je er achter, dan alleen de stam."
Ik met mijn aangeboren grammaticale sensitiviteit wist meteen dat deze zin van geen kant klopte, maar wat bezielde een verstandig en erudiet man als Meester de Beer toch om al die tijd zulke wartaal uit te slaan?
‘Als ik er bij staat’, (klopt niet!!, en waar staat die ik bij?), ‘en jij-je er achter’ (wat bazelt ‘ie, wie is die jij-je?), ‘dan alleen de stam’, (welke stam en wat doet die jij-je daar achter die stam?). Maar als kind aanvaard je dat soort mysteries gelovig. Ik vertrouwde er op dat het mij later geopenbaard zou worden. En dat gebeurde.
Toen ik een jaar later het lesboekje dat bij de zin hoorde onder ogen kreeg en eindelijk de volledige uitleg, had ik het meteen door. Het waren lessen grammatica, en met name de problematiek van d's, t's en dt's. Dat heb ik dus mijn leven lang niet meer fout gedaan.
donderdag 31 mei 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten